Waarom moet ik altijd alles zelf kunnen?
Je partner ziet dat je week vol zit en zegt: “Laat mij dat morgen regelen. Dan hoef jij dat er niet ook nog bij te doen.”
Je antwoord komt vrijwel onmiddellijk. “Nee hoor, komt goed. Ik doe het wel.”
Twee dagen later zit je ’s avonds nog achter je laptop. Je bent moe en ergens ook geïrriteerd omdat er zoveel op jouw schouders terechtkomt. Je zou willen dat iemand eens iets van je overnam. Alleen was er iemand die dat probeerde en heb je het aanbod binnen enkele seconden afgeslagen.
Dat is een ingewikkelde positie. Je kunt verlangen naar steun en tegelijkertijd moeite hebben om die steun werkelijk toe te laten.
Mensen die veel zelf doen, zijn vaak ook daadwerkelijk zelfstandig. Ze kunnen problemen oplossen, verantwoordelijkheid dragen, organiseren en doorgaan wanneer het moeilijk wordt. Dat zijn waardevolle vermogens. De psychologisch interessante vraag ontstaat wanneer zelfstandigheid nauwelijks nog een keuze lijkt. Dan krijgt ik kan het zelf ongemerkt de betekenis van ik moet het zelf kunnen.
Wanneer zelfredzaamheid bescherming wordt
Binnen de hechtingspsychologie bestaat hiervoor de term compulsive self-reliance, vrij vertaald als rigide of dwangmatige zelfredzaamheid. Het begrip komt uit een Bowlby-georiënteerde onderzoekstraditie naar problematische hechtingspatronen bij volwassenen en beschrijft een sterke gerichtheid op jezelf als bron van steun, waarbij afhankelijkheid van anderen zoveel mogelijk wordt beperkt. Het is geen psychiatrische diagnose en evenmin een etiket voor iedereen die graag zelfstandig is.
In hedendaagse hechtingsliteratuur wordt daarnaast gesproken over deactiverende hechtingsstrategieën. Daarmee worden strategieën bedoeld waarmee iemand de betekenis van hechtingsbehoeften, kwetsbaarheid en afhankelijkheid kan dempen. Onderzoek verbindt hogere hechtingsvermijding onder andere met minder steun zoeken, meer emotionele onderdrukking en een sterkere neiging om spanning zelf te reguleren.
Dat betekent niet dat achter sterke zelfstandigheid automatisch een onveilige hechting schuilgaat. Dezelfde buitenkant kan bij verschillende mensen iets heel anders betekenen. De ene persoon doet veel zelf omdat hij dat prettig vindt en gemakkelijk kan. Een ander merkt dat hulp vragen schaamte oproept, dat controle uit handen geven onrustig maakt of dat afhankelijk zijn vrijwel onmiddellijk de behoefte activeert om zich terug te trekken.
Het verschil zit in de bewegingsruimte.
Kun je iets zelf doen wanneer dat passend is én steun toelaten wanneer je die nodig hebt? Kun je vertrouwen op je eigen kunnen en tegelijk verdragen dat je soms afhankelijk bent van wat iemand anders doet?
Hulp aannemen maakt je afhankelijk van een ander mens
Zelf iets oplossen heeft een groot voordeel: je houdt invloed op het proces. Je bepaalt wanneer iets gebeurt, hoe het gebeurt en wat je doet als er iets misloopt.
Zodra je iemand inschakelt, verandert er meer dan alleen de taakverdeling. Er komt een ander mens tussen jou en de uitkomst te staan.
Die ander kan iets anders doen dan jij zou doen. Misschien duurt het langer. Je moet uitleggen wat je nodig hebt. De ander kan vergeten wat hij heeft beloofd of aangeven dat het vandaag niet lukt. Je kunt teleurgesteld raken.
Hulp vragen betekent daarom ook dat je zichtbaar maakt dat je iets nodig hebt en vervolgens moet verdragen dat de ander vrij is in zijn antwoord.
Onderzoek naar sociale steun binnen partnerrelaties laat zien dat hechting daarin inderdaad een rol speelt. Een systematische review van 43 studies vond dat mensen met meer hechtingsvermijding of hechtingsangst gemiddeld minder gunstige patronen rond steun lieten zien en aangeboden steun ook vaker negatief interpreteerden. In observationeel onderzoek met stellen hing hechtingsvermijding bovendien samen met minder effectieve manieren van steun zoeken.
Daarmee wordt begrijpelijk waarom “vraag gewoon wat vaker hulp” voor sommige mensen nauwelijks iets oplost. De moeilijkheid zit soms veel minder in het formuleren van de vraag dan in alles wat die vraag relationeel betekent.
Je moet iemand nodig durven hebben.
Zelfstandigheid kan een kwaliteit én een bescherming zijn
Hier raakt hechting aan karakter.
Binnen lichaamsgerichte therapeutische tradities van onder anderen Wilhelm Reich en later Alexander Lowen wordt onderzocht hoe mensen relatief vaste manieren ontwikkelen om met kwetsbaarheid, behoefte, macht, afhankelijkheid, schaamte en contact om te gaan. Bellein gebruikt karakterstructuren als theoretisch en practice-based denkkader. Ze bieden geen diagnostische verklaring voor gedrag. Ze kunnen wel helpen onderzoeken welke samenhang er bestaat tussen iemands kwaliteiten en de bescherming die zich in de loop van de ontwikkeling heeft gevormd.
In het kennisartikel Wat is een karakterstructuur? lees je daar uitgebreider over.
Juist bij sterke zelfredzaamheid is die dubbele blik belangrijk. Iemand kan werkelijk daadkrachtig, verantwoordelijk en zelfstandig zijn. Tegelijk kan dezelfde zelfstandigheid een manier zijn geworden om zo min mogelijk terecht te komen in een positie waarin een ander macht heeft over iets wat voor jou belangrijk is.
Dan is controle niet alleen graag weten wat er gebeurt. Controle voorkomt ook dat je hoeft te wachten, teleurgesteld kunt worden of moet laten zien hoeveel iets voor je betekent.
Dat verklaart een paradox die in relaties behoorlijk pijnlijk kan worden: je kunt verlangen dat iemand eindelijk iets van je overneemt en tegelijkertijd zo snel zelf ingrijpen dat die ander nauwelijks gelegenheid krijgt om daadwerkelijk iets voor je te dragen.
Je kunt steun verlangen en haar toch buiten houden
Zo’n patroon is lang niet altijd gemakkelijk bij jezelf te zien.
Je partner begint iets voor je uit te zoeken en ondertussen heb je het zelf al gedaan. Je vraagt iemand om hulp en controleert daarna iedere stap. Iemand vraagt hoe het werkelijk met je gaat en je vertelt vooral wat je allemaal nog moet regelen. Later kun je verdrietig zijn omdat niemand lijkt te beseffen hoeveel je draagt.
Van binnen kan dat voelen alsof anderen onvoldoende initiatief nemen. Soms klopt dat ook. Relaties verschillen immers werkelijk in wederkerigheid en betrouwbaarheid. Toch is het de moeite waard te onderzoeken hoeveel ruimte de ander daadwerkelijk krijgt om iets voor jou te betekenen.
Voor sommige mensen is geven veel gemakkelijker dan ontvangen. Wie geeft, blijft actief. Je houdt overzicht, kunt iets betekenen en bepaalt voor een deel wat er gebeurt. Ontvangen vraagt een andere positie. Je moet iets laten komen waarvan jij niet de oorsprong bent.
Die dynamiek kan nog sterker worden wanneer iemand vaak degene is die anderen helpt, oplost of opvangt. In Altijd de redder zijn wordt uitgebreider beschreven hoe zorgzaamheid, verantwoordelijkheid en controle soms met elkaar verweven kunnen raken.
Er kan dan iets eenzaams ontstaan. Andere mensen kennen je als degene die sterk staat, terwijl jij vanbinnen verlangt naar een plek waar je die kracht een keer niet nodig hebt.
Het lichaam kan het moment vóór ‘ik doe het zelf wel’ zichtbaar maken
Patronen rond zelfredzaamheid spelen zich niet alleen af in gedachten. Het lichaam doet mee in de manier waarop iemand zich voorbereidt op contact, spanning, afhankelijkheid en controle.
Stel dat iemand zegt: “Laat mij dit voor je doen.”
Nog voordat je bewust hebt besloten wat je daarvan vindt, kan er al iets veranderen. Misschien zet je jezelf wat rechterop, verschuift je aandacht onmiddellijk naar wat de ander precies gaat doen of merk je dat je naar voren beweegt om de taak terug te nemen. Een ander voelt spanning opkomen zodra hij beseft dat hij zal moeten wachten.
Geen van deze reacties heeft een vaste psychologische betekenis. Een aangespannen lichaam bewijst geen angst voor afhankelijkheid en naar voren bewegen betekent niet automatisch dat iemand controle wil houden. Binnen lichaamsgericht werken wordt zulke informatie altijd onderzocht in samenhang met de situatie, de levensgeschiedenis, het actuele contact en wat iemand zelf ervaart.
Precies daarin kan het lichaam wel iets waardevols toevoegen. Het helpt je soms het patroon waar te nemen voordat je alweer midden in de bekende reactie zit.
Binnen Lichaamsgericht Hechtingswerk wordt lichamelijke informatie verbonden met hechting, karakter, bescherming en wat er tussen mensen gebeurt. Het lichaam wordt daarbij een bron van informatie die verder onderzocht moet worden, geen bewijsstuk waaruit rechtstreeks een psychologische conclusie volgt.
Wat beschermt ‘ik doe het zelf wel’ bij jou?
Als je wilt begrijpen waarom je zoveel zelf doet, helpt het om minder snel te zoeken naar een algemene verklaring en preciezer te kijken naar één werkelijk moment.
De volgende keer dat iemand aanbiedt iets van je over te nemen, hoef je je reactie niet meteen te veranderen. Geef jezelf eerst enkele seconden voordat je antwoordt.
Merk op wat er gebeurt.
Misschien verschijnt onmiddellijk de gedachte dat het sneller gaat als je het zelf doet. Misschien vertrouw je er niet helemaal op dat de ander eraan denkt. Je kunt voelen dat je geïrriteerd raakt omdat je moet uitleggen hoe jij het wilt. Er kan schaamte zijn omdat jij degene bent die hulp nodig heeft.
De vraag waarom doe ik altijd alles zelf? is vaak zo groot dat je hoofd er allerlei overtuigende antwoorden op kan produceren. Een preciezere vraag komt dichter bij de functie van het patroon:
Wat zou er voor mij spannend worden als ik deze keer werkelijk ja zou zeggen?
Daar kan teleurstelling onder liggen. Controleverlies. Schuld omdat iemand moeite voor je doet. De angst dat je daarna iets terug moet geven. Misschien voelt behoefte tonen kwetsbaar. En soms ontdek je eenvoudig dat je het in deze specifieke situatie echt liever zelf doet.
Dat laatste is minstens zo belangrijk.
Het doel van zelfonderzoek is geen bewijs verzamelen dat je zelfstandigheid problematisch is. Je probeert onderscheid te leren maken tussen een vrije voorkeur en een reactie die zo automatisch is geworden dat andere mogelijkheden nauwelijks nog beschikbaar voelen.
Drie lichaamsgerichte hechtingsbewegingen kunnen daarbij iets zichtbaar maken
Binnen de lichaamsgerichte hechtingsbenadering van Bellein wordt onder andere gekeken naar basale bewegingen waarmee mensen steun, behoefte en contact lichamelijk organiseren. Drie daarvan zijn bij sterke zelfredzaamheid bijzonder interessant: yielding, reaching en pulling.
Bij yielding gaat het om steun kunnen toelaten en je tijdelijk laten dragen, terwijl je aanwezig blijft bij jezelf. Voor iemand die gewend is voortdurend zelf overeind te blijven, kan zelfs een klein moment van leunen verrassend veel oproepen. Je kunt bijvoorbeeld merken dat je een aanbod wel aanneemt, terwijl je lichaam alert blijft en je aandacht voortdurend controleert of het goed gaat.
Reaching gaat over uitreiken naar wat je nodig hebt. Bij sterke zelfredzaamheid kan die beweging al worden afgebroken voordat iemand anders iets merkt. Je voelt kort een behoefte, waarna je hoofd onmiddellijk een oplossing bedenkt waarmee je niemand nodig hebt. Het kan daarom veel informatie geven om eens één eenvoudige hulpvraag uit te spreken zonder die meteen kleiner te maken met “maar alleen als het uitkomt” of “anders doe ik het zelf wel”.
Pulling gaat over iets werkelijk naar je toe kunnen halen en ontvangen. Sommige mensen vragen inmiddels wel om hulp, terwijl ontvangen alsnog moeilijk blijft. Zodra iemand iets geeft, ontstaat de behoefte om terug te betalen, het gebaar te verkleinen of onmiddellijk iets voor de ander te doen.
Deze bewegingen zijn geen wetenschappelijke hechtingstest en ook geen diagnostische categorieën. Binnen Bellein worden ze ervaringsgericht gebruikt om preciezer te onderzoeken wat iemand daadwerkelijk doet wanneer steun, behoefte en afhankelijkheid in het contact verschijnen.
Kleine verandering begint vóór het oude patroon is afgerond
Je hoeft daarom niet te beginnen met grote afhankelijkheid. Juist een kleine situatie geeft vaak meer informatie.
Laat iemand iets eenvoudigs voor je doen dat je normaal automatisch zelf zou oppakken. Merk vooraf op wat je verwacht. Misschien denk je dat je het uiteindelijk toch zult moeten herstellen. Misschien verwacht je vooral dat het ongemakkelijk zal zijn om niets te doen.
Laat de ander het vervolgens zoveel mogelijk op zijn of haar manier uitvoeren.
Het interessante zit vervolgens in wat er in jou gebeurt. Wanneer krijg je de neiging in te grijpen? Wat gebeurt er wanneer het anders gaat dan jij zou kiezen? Kun je aanwezig blijven bij dat ongemak zonder onmiddellijk de taak terug te pakken?
Soms blijkt je verwachting terecht. De ander vergeet iets of levert half werk. Ook dat is informatie. Ontvangen betekent niet dat je ieder aanbod zonder onderscheid moet vertrouwen.
Op andere momenten ontdek je iets anders: de taak wordt prima uitgevoerd en de grootste spanning zat vooral in het feit dat jij even geen controle had.
Je kunt hetzelfde onderzoeken vanuit reaching. Vraag iemand die je vertrouwt één concreet ding dat je normaal zelf zou regelen. Vervolgens probeer je het antwoord werkelijk af te wachten. Daarmee onderzoek je niet alleen of de ander helpt. Je ontdekt ook wat het met jou doet om een behoefte zichtbaar te maken zonder vooraf zekerheid te hebben over de reactie.
En wanneer iemand iets voor je doet, kun je oefenen met één moment lang ontvangen zonder meteen de balans te herstellen. Een eenvoudig “dank je, dit helpt me” is genoeg.
Dat kan een heel kleine handeling zijn en tegelijkertijd precies de plek raken waar het patroon georganiseerd is.
Afhankelijk kunnen zijn ondersteunt ook autonomie
Een van de interessante inzichten uit de hechtingstheorie is dat afhankelijkheid en autonomie geen eenvoudige tegenpolen zijn. Onderzoek naar secure base support laat zien dat responsieve steun van een partner juist samen kan gaan met meer exploratie, doelgerichtheid en zelfstandig functioneren. Een ander die beschikbaar is zonder je over te nemen, kan de ruimte vergroten om zelf de wereld in te gaan.
Dat geeft een ander perspectief op volwassen zelfstandigheid.
Gezonde autonomie betekent dat je op eigen benen kunt staan en tegelijkertijd relaties kunt gebruiken waarvoor relaties mede bestaan: steun, zorg, wederkerigheid, nabijheid en samenwerking.
Voor iemand die lang vooral op zichzelf heeft vertrouwd, kan dat een wezenlijke verschuiving zijn. Je ontdekt dat iemand nodig hebben niet betekent dat je jezelf kwijtraakt. Je kunt ontvangen en daarna weer verdergaan. Je kunt een ander invloed geven zonder iedere eigen grens op te geven. Je kunt teleurgesteld raken en daar iets mee doen zonder vooraf iedere mogelijke teleurstelling uit te sluiten.
Dan krijgt zelfstandigheid haar vrijheid terug.
De vraag kan ik dit alleen? is voor sterk zelfredzame mensen meestal gemakkelijk te beantwoorden. Waarschijnlijk kun je ontzettend veel alleen.
Een andere vraag vertelt vaak meer:
Wat gebeurt er met mij wanneer ik het deze keer niet alleen hoef te doen?
Misschien ontdek je daar kracht en competentie. Misschien wantrouwen, trots of angst. Misschien een oude overtuiging dat je uiteindelijk toch op jezelf bent aangewezen.
En soms ligt er onder al die zelfstandigheid ook een eenvoudig verlangen: dat iemand naast je komt staan en een stukje met je meedraagt.
Wanneer je dit verder wilt onderzoeken
Sommige patronen veranderen al wanneer je ze beter leert herkennen. Andere worden vooral helder op het moment dat ze in contact daadwerkelijk optreden. Je kunt heel goed begrijpen waarom je moeite hebt met afhankelijkheid en vervolgens toch alweer horen dat je zegt: “Laat maar, ik doe het zelf.”
Binnen Bellein Essence onderzoek je gedurende twee jaar hoe hechting, karakter, bescherming, lichamelijke reacties en relaties in je eigen leven samenkomen. Daardoor kun je zulke patronen niet alleen begrijpen, maar ook onderzoeken wat er gebeurt wanneer je in contact een andere beweging toelaat.