Woordenlijst A–Z: Bellein-taal in gewone woorden

Soms helpt één goede definitie meer dan tien alinea’s. In deze woordenlijst vind je Bellein-taal in gewone woorden: van regulatie tot dissociatie, van consent tot co-regulatie.

Gebruik deze woordenlijst als je ergens in de kennisbank een term tegenkomt en denkt: wat bedoelen ze daar precies mee? Kort, helder, zonder poespas.

A

  • Afstemmen: je tempo en toon aanpassen aan wat je lichaam of de ander aankan.
  • Activeren: je systeem iets meer “aan” zetten als je te vlak, moe of weg bent (zacht en gedoseerd).

B

  • Belichaamd: je bent niet alleen aan het denken, je bént er ook lichamelijk bij.
  • Bodem (veiligheid als bodem): het gevoel dat je systeem niet hoeft te vechten of vluchten om oké te zijn.

C

  • Consent: toestemming en keuzevrijheid in het moment. Niet één keer vragen, maar steeds blijven checken.
  • Co-regulatie: samen tot rust komen via contact, aanwezigheid, stem, tempo.

D

  • Dissociatie: (deels) weg raken, verdoven of “niks voelen” als bescherming tegen te veel.
  • Draagkracht: hoeveel spanning en emotie je systeem kan verwerken zonder te overspoelen.

E

  • Emotionele regulatie: emoties kunnen voelen zonder dat ze je overnemen of wegdrukken.
  • Expressie: gevoelens of energie een uitweg geven (stem, beweging, grens, traan), passend bij draagkracht.

F

  • Fight/Flight/Freeze/Fawn: vechten, vluchten, bevriezen of pleasen als automatische stressreacties.
  • Fawn (pleasen): aanpassen om spanning in contact te vermijden, vaak razendsnel en onbewust.

G

  • Gronden (gronding): contact maken met je lichaam en de aarde (voeten, benen, steun) zodat je systeem zakt.
  • Grenzen: het punt waarop je lichaam zegt: tot hier.

H

  • Hechting: hoe je systeem verbinding en veiligheid leert, vooral in nabijheid en afhankelijkheid.
  • Herstel: terugkomen na stress of trigger, zodat je weer ruimte en keuze ervaart.

I

  • Integratie: verwerken na lichaamswerk of emotie, zodat het niet blijft rondzingen in je systeem.
  • Interoceptie: vanbinnen signalen waarnemen (adem, hartslag, spanning, warmte, buikgevoel).

J

  • Ja-gevoel: een lichamelijk “klopt” dat vaak stiller is dan een hoofd-besluit.
  • Jezelf verlaten: vooral op de ander gericht raken en je eigen signalen kwijtraken.

K

  • Kalmeren: je systeem terugbrengen naar een staat waarin je kunt voelen en kiezen.
  • Karakterpatroon: een vaste manier van reageren die ooit bescherming bood (niet: een fout).

L

  • Laden en ontladen: energie opbouwen en weer laten afvloeien, zodat spanning niet vastzet.
  • Lichaamsbewustzijn: merken wat er in je lijf gebeurt, op tijd genoeg om bij te sturen.

M

  • Micro-pauze: 10–30 seconden bewust vertragen of voelen om je systeem te helpen schakelen.
  • Micro-interventie: klein, veilig, doseerbaar stapje in begeleiding of zelfwerk.

N

  • Nabijheid: fysieke of emotionele dichtbijheid, die voor je systeem veilig of spannend kan voelen.
  • Nee-gevoel: lichamelijk signaal van grens, vaak sneller dan je hoofd.

O

  • Oriënteren: rondkijken en het nu registreren, heel regulerend bij spanning of dissociatie.
  • Overleving: alles wat je systeem doet om veiligheid te bewaren, ook als het later niet meer handig is.

P

  • Pendelen: afwisselen tussen iets geladen en iets neutraals, zodat je binnen draagkracht blijft.
  • Patroon: herhaalde automatische reactie in contact of stress.

Q

  • Quick fix (valkuil): de neiging om één truc te zoeken die alles oplost. Regulatie werkt meestal via herhaling.

R

  • Regulatie: kunnen schakelen in spanning en emotie, zonder vast te lopen in te veel of te weinig.
  • Ritme: voorspelbaarheid in dag en herstel, vaak belangrijker dan motivatie.

S

  • Schaamte: lichaamstoestand van klein maken, wegkijken, stilvallen of grapjes maken om “oké” te blijven.
  • Stressrespons: automatische overlevingsstand die sneller is dan denken.

T

  • Tempo: hoe snel je gaat, praat, beslist, voelt. Tempo is vaak de verborgen sleutel.
  • Trigger: iets in het nu dat oud alarm aanzet in je systeem.

U

  • Uitademing (verlengen): zachte manier om je systeem te laten zakken, zonder forceren.
  • Uit contact gaan: je wordt druk, fel, vlak of afwezig, omdat je systeem veiligheid zoekt.

V

  • Veilig genoeg: niet perfect veilig, maar genoeg veiligheid om te kunnen oefenen.
  • Verlangen: wat je werkelijk nodig hebt of wilt, vaak onder lagen van moeten en aanpassen.

W

  • Window of tolerance: de bandbreedte waarin je kunt voelen, denken en in contact blijven.
  • Weg raken: dissociatieve neiging: je bent er wel, maar intern niet helemaal.

X

  • X-factor (intuïtief weten): dat stille “dit klopt” dat je soms niet kunt uitleggen, maar wel voelt.

Y

  • Yin (ontvangen): zachtere kant van regulatie: toelaten, landen, herstellen, leunen.

Z

  • Zakken: van hoofd naar lichaam, van aan naar meer aanwezig.
  • Zelfhechting: het vermogen om bij jezelf te blijven, ook als het spannend wordt.
Reactie plaatsen