
Lichaamsgericht hechtingswerk
Wat is lichaamsgericht hechtingswerk?
Je kunt heel goed begrijpen waarom je iets doet en toch merken dat je op het beslissende moment opnieuw hetzelfde reageert.
Je weet bijvoorbeeld dat je vaker je grens zou willen aangeven. Toch hoor je jezelf alweer ja zeggen voordat je hebt gevoeld wat je eigenlijk wilt. Je begrijpt dat een conflict niet meteen het einde van een relatie betekent, terwijl je lichaam zich aanspant zodra iemand geïrriteerd naar je kijkt. Je hebt allang door dat je veel verantwoordelijkheid overneemt. Toch merk je pas achteraf hoe vanzelfsprekend je opnieuw voor iedereen bent gaan zorgen.
Op zulke momenten gebeurt er meer dan wat iemand bewust denkt.
Er is een lichaam dat reageert. Er is een geschiedenis waarin bepaalde manieren van omgaan met nabijheid, spanning, afhankelijkheid en conflict zijn ontstaan. Er zijn patronen die ooit hielpen om contact te houden, jezelf te beschermen of moeilijke gevoelens hanteerbaar te maken.
Lichaamsgericht Hechtingswerk onderzoekt die samenhang.
Lichaamsgericht Hechtingswerk, afgekort LHW, is het door Bellein Academie ontwikkelde integratieve referentie- en handelingskader waarin lichamelijke ervaring en waarneming worden verbonden met ontwikkeling en hechting, karakter en bescherming, trauma en draagkracht, de therapeutische relatie, de respons van de professional en de actuele levenscontext.
Dat klinkt in één zin behoorlijk vakmatig. In de praktijk gaat het over een heel menselijke vraag:
Wat gebeurt er werkelijk met iemand, en wat hebben we nodig om dat zorgvuldig te kunnen begrijpen?
We luisteren naar het verhaal én volgen wat er ondertussen gebeurt
Stel dat iemand vertelt dat het hem weinig doet wanneer zijn partner afstand neemt.
Terwijl hij dat zegt, wordt zijn adem oppervlakkiger. Hij gaat sneller praten en begint uit te leggen waarom zelfstandigheid in een relatie juist gezond is.
Daar zijn verschillende verklaringen voor mogelijk. Misschien raakt de afstand hem meer dan hij op dat moment beseft. Misschien helpt snel praten hem om minder te voelen. Misschien roept afhankelijkheid ongemak op. Misschien wil hij de therapeut ergens van overtuigen. Er kan ook iets heel anders spelen.
Een lichaamsgericht hechtingstherapeut probeert zo'n reactie daarom eerst zo precies mogelijk waar te nemen voordat hij betekenis geeft aan wat hij ziet.
Dat is een belangrijk uitgangspunt binnen LHW.
We nemen serieus wat iemand vertelt. Tegelijk volgen we wat zichtbaar en voelbaar wordt in adem, spierspanning, houding, beweging, stem, blik, tempo, impuls, toenadering en afstand.
Daar begint het professionele werk: onderzoeken hoe verschillende soorten informatie zich tot elkaar verhouden bij deze persoon, in deze situatie en op dit moment.
Het lichaam geeft informatie
Binnen Lichaamsgericht Hechtingswerk heeft het lichaam een centrale plaats.
Een gespannen schouder vertelt ons op zichzelf niets over iemands jeugd. Een lichaamshouding levert geen diagnose op en één lichamelijke reactie heeft geen vaste psychologische betekenis.
Het lichaam geeft informatie. De betekenis daarvan moet worden onderzocht.
Een cliënt kan bijvoorbeeld zeggen dat hij zich volledig op zijn gemak voelt, terwijl zijn kaken steeds strakker worden. Iemand kan vertellen dat zij verlangt naar meer nabijheid en ongemerkt achteruit bewegen zodra iemand werkelijk dichterbij komt. Een ander ontdekt pas hoeveel kracht hij inhoudt wanneer zijn armen tijdens een oefening spontaan naar voren willen bewegen.
Daar begint nieuwsgierigheid.
Wat gebeurt er precies? Kent de cliënt deze reactie? Wanneer gebeurt dit nog meer? Wat ervaart hij zelf? Hoe past het bij zijn geschiedenis? Wat gebeurt er op datzelfde moment in het contact met de therapeut?
Een lichaamslezing is binnen Bellein daarom een vorm van professioneel waarnemen en redeneren. De therapeut verzamelt informatie, ziet mogelijke samenhangen, vormt voorlopige hypotheses en blijft die toetsen aan de cliënt en het verdere proces.
Hoe scherper en gedetailleerder iemand leert waarnemen, hoe groter de verantwoordelijkheid om zorgvuldig te blijven.
Waarom hechting zo'n belangrijke plaats heeft
Het woord hechting staat bewust in Lichaamsgericht Hechtingswerk.
Een mens ontwikkelt zich vanaf zijn geboorte in relatie tot andere mensen. Een baby is voor voeding, warmte, bescherming, aanraking, troost en contact afhankelijk van zijn verzorgers. Ook het vermogen om spanning te verdragen en na ontregeling weer tot rust te komen ontwikkelt zich aanvankelijk sterk binnen die relatie.
Door duizenden gewone ervaringen ontstaan verwachtingen over jezelf, andere mensen en relaties.
Is iemand beschikbaar wanneer ik iets nodig heb? Mag ik huilen? Wat gebeurt er als ik boos word? Kan ik weggaan en daarna weer terugkomen? Mag ik afhankelijk zijn? Kan ik iets weigeren en verbonden blijven? Ben ik nog welkom wanneer ik bang, lastig, verdrietig of teleurgesteld ben?
Hechting gaat binnen Bellein daarom veel verder dan een indeling in hechtingsstijlen.
Het raakt aan autonomie en afhankelijkheid, grenzen, ontvangen, gezonde agressie, schaamte, intimiteit, conflict, hulp vragen, behoefte, zelfbeeld en de verwachtingen die iemand meeneemt in relaties.
Die verwachtingen leven vaak ook in automatische reacties.
Een vrouw die heeft geleerd dat boosheid gevaar kan opleveren, kan onmiddellijk vriendelijker gaan praten zodra zij irritatie voelt. Een man die vroeg heeft geleerd vooral op zichzelf te vertrouwen, kan uitstekend functioneren en tegelijkertijd verstijven wanneer iemand voor hem wil zorgen. Iemand die als kind voortdurend rekening hield met de stemming van een ouder, kan jaren later nog razendsnel voelen wat iedereen nodig heeft en nauwelijks merken wat hij zelf verlangt.
Daar komen lichaam en hechting bij elkaar.
Bescherming is ooit ergens voor nodig geweest
Veel patronen waar iemand later last van krijgt, zijn ooit ergens ontstaan omdat ze hielpen.
Zelfstandigheid kan nodig zijn geweest toen steun weinig beschikbaar was. Controle kan houvast hebben gegeven in een chaotische omgeving. Aanpassen kan hebben geholpen om verbonden te blijven. Hard werken kan waardering of veiligheid hebben opgeleverd. Alles begrijpen kan een manier zijn geworden om gevoelens op afstand te houden wanneer ze te overweldigend waren.
Binnen Bellein onderzoeken we daarom eerst wat een beschermingspatroon voor iemand heeft gedaan.
Daarna wordt interessant hoeveel vrijheid er vandaag bestaat.
Kan iemand zelfstandig zijn en tegelijk steun ontvangen? Kan hij rekening houden met anderen en blijven voelen wat hij zelf wil? Kan zij controle loslaten wanneer daar voldoende veiligheid voor is? Kan iemand boos worden en ervaren dat zowel hijzelf als de relatie die boosheid kunnen verdragen?
Bellein gebruikt hierbij onder andere lichaamsgerichte karaktertheorieën uit het werk van Wilhelm Reich en Alexander Lowen. Karakterstructuren worden als theoretische en klinische denkkaders gebruikt. Zij helpen terugkerende samenhangen onderzoeken rond behoefte, afhankelijkheid, autonomie, macht, controle, intimiteit, expressie en bescherming.
Een mens valt nooit samen met een karakterstructuur. Het model helpt ons kijken. De persoon zelf blijft altijd groter dan het model.
Trauma vraagt altijd aandacht voor draagkracht
Sommige ervaringen blijven langdurig doorwerken in de manier waarop iemand reageert. Dat kan bijvoorbeeld zichtbaar worden in sterke waakzaamheid, snel overspoeld raken, vermijden, verstarren, dissociatieve reacties of moeite om na spanning weer terug te keren naar rust.
Binnen LHW koppelen we trauma daarom altijd aan draagkracht.
Naast de vraag wat iemand heeft meegemaakt en welke emotie voelbaar wordt, onderzoeken we wat iemand vandaag daadwerkelijk kan ervaren en verwerken terwijl voldoende contact met zichzelf en zijn omgeving beschikbaar blijft.
Kan de cliënt blijven merken waar hij is? Hoort hij de therapeut nog? Kan hij voelen wat er in zijn lichaam gebeurt? Kan hij spanning ervaren en daarna terugkeren? Wanneer helpt verdieping? Wanneer vraagt het proces om vertraging? Wanneer moet eerst meer stabiliteit worden opgebouwd?
Intensiteit is binnen Bellein geen maatstaf voor kwaliteit.
Een groot emotioneel moment kan betekenisvol zijn. Een kleine verschuiving kan even wezenlijk zijn. Soms bestaat een belangrijke verandering uit het voor het eerst voelen van een grens zonder onmiddellijk te verdwijnen, te pleasen, te verharden of in paniek te raken.
De vraag is uiteindelijk wat iemand kan integreren en meenemen naar zijn dagelijks leven.
De therapeutische relatie maakt zichtbaar wat woorden soms verborgen houden
Hechtingspatronen worden tijdens therapie niet alleen besproken. Ze kunnen ook zichtbaar en voelbaar worden in de actuele relatie tussen cliënt en therapeut.
Stel dat een cliënt vertelt dat hij gemakkelijk boos kan zijn. Tijdens een sessie spreekt de therapeut hem ergens op tegen. Meteen verandert er iets. De cliënt glimlacht, zijn stem wordt zachter en hij zegt: “Geeft niet hoor, ik snap wat je bedoelt.”
De boosheid lijkt onmiddellijk te verdwijnen.
Dan ontstaan interessante vragen. Wat gebeurde er precies op het moment dat er verschil kwam? Was er irritatie? Werd het spannend om die te laten bestaan? Wat verwacht de cliënt dat er gebeurt wanneer hij werkelijk boos blijft terwijl de ander tegenover hem zit?
Daarmee verschuift het werk van praten over een patroon naar het samen onderzoeken van wat er op dat moment werkelijk gebeurt.
De therapeutische relatie kan binnen LHW informatie geven over verwachtingen en bescherming. Zij kan tegelijk een plaats zijn waar iemand een nieuwe ervaring opdoet.
Iemand kan bijvoorbeeld ervaren dat hij een grens aangeeft en dat de ander blijft. Dat teleurstelling geen onmiddellijk verlies van contact hoeft te betekenen. Dat steun ontvangen mogelijk is zonder zichzelf kwijt te raken. Dat nabijheid en eigenheid tegelijkertijd kunnen bestaan.
Daar ligt voor Bellein een belangrijk deel van therapeutische verandering.
Ook de therapeut moet zichzelf kunnen waarnemen
Een therapeut staat zelf ook in de ontmoeting.
Hij kan tijdens een sessie plots haast voelen. Hij merkt misschien dat hij iemand uitzonderlijk graag wil helpen. Hij kan geïrriteerd raken, slaperig worden, onzekerheid ervaren of juist heel voorzichtig worden.
Binnen LHW wordt ook die reactie onderzocht.
De therapeut vraagt zichzelf eerst af wat er in hem gebeurt. Kent hij deze reactie uit andere situaties? Heeft zij te maken met zijn eigen geschiedenis of gevoeligheden? Ontstaat er iets specifieks in het contact met deze cliënt? Zou zijn reactie informatie kunnen bevatten over wat zich tussen hen afspeelt?
Daarbij past terughoudendheid. Wat de therapeut voelt, is geen automatische waarheid over de cliënt.
Zelfonderzoek, supervisie en kennis van overdracht en tegenoverdracht zijn daarom belangrijke onderdelen van het vak.
De therapeut gebruikt zichzelf als instrument en moet tegelijkertijd weten dat ieder instrument ook kan vertekenen.
De Bellein TegelWijzer
Om verschillende informatiebronnen zorgvuldig naast elkaar te kunnen houden, heeft Bellein haar manier van professioneel kijken geordend in de TegelWijzer.
Daarin worden acht informatielagen onderscheiden:
- Hulpvraag en actuele context – Wat speelt er nu? Wat brengt iemand naar therapie en wat gebeurt er feitelijk in zijn leven?
- Ontwikkeling en hechting – Welke ervaringen en relationele verwachtingen kunnen relevant zijn voor de manier waarop iemand zichzelf, nabijheid, autonomie en afhankelijkheid organiseert?
- Karakter en bescherming – Welke terugkerende strategieën en beschermingsbewegingen worden zichtbaar en welke functie kunnen zij hebben?
- Lichaam, energie en impuls – Wat is lichamelijk waarneembaar en wat ervaart de cliënt zelf? Met energie bedoelen we onder andere vitaliteit, mobilisatie, intensiteit, impuls en expressie.
- Trauma en draagkracht – Hoeveel spanning, activatie en verdieping kan iemand op dit moment dragen?
- Therapeutische relatie – Wat ontstaat er tussen cliënt en therapeut?
- Reactie van de therapeut – Wat gebeurt er in de therapeut en welk deel daarvan vraagt om onderzoek, reflectie of supervisie?
- Professionele context – Wat vragen ethiek, informed consent, deskundigheidsgrenzen, samenwerking en eventuele verwijzing?
Deze informatielagen vormen geen stappenplan waarmee iedere cliënt op dezelfde wijze wordt behandeld. Ze helpen de therapeut om verschillende verklaringen en therapeutische mogelijkheden beschikbaar te houden en voorkomen dat één theorie of één methode het hele proces gaat bepalen.
Van waarnemen naar professioneel handelen
Waarnemen is één deel van het vak. Beslissen wat je vervolgens doet vraagt professioneel onderscheidingsvermogen.
Binnen Bellein verloopt dit in een voortdurend proces:
waarnemen → onderscheiden → een werkhypothese vormen → toetsen → draagkracht en therapeutisch doel afwegen → handelen en interveniëren → integreren → evalueren en waar passend psycho-educatie geven
Daar ligt een wezenlijk verschil tussen intuïtief iets aanvoelen en professioneel therapeutisch handelen.
Neem Hans. Hij vertelt dat afstand van zijn partner hem weinig doet. Terwijl hij praat, ziet de therapeut zijn adem veranderen en merkt zij dat zijn spreektempo omhooggaat.
Dat is de waarneming.
Vervolgens begint het onderscheiden. Hans kan zich nog niet bewust zijn van zijn snellere praten. Het kan hem helpen gevoelens op afstand te houden. Hij kan heel goed weten dat hij sneller praat en weerstand ervaren tegen de boosheid die eronder ligt. Het kan ook zijn gewone spreekstijl zijn.
De therapeut vormt een voorlopige werkhypothese en toetst die: “Ik merk dat je sneller begint te praten wanneer je hierover vertelt. Wat merk jij zelf in je lichaam?”
Hans zegt misschien dat hij niets voelt. Hij kan stilvallen. Hij merkt misschien druk op zijn borst of ineens hoeveel irritatie hij voelt.
Wat vervolgens passend is, hangt af van wat er daadwerkelijk gebeurt, het therapeutische doel, de draagkracht van Hans en de fase van het proces. De therapeut kan vertragen, verder onderzoeken, een lichaamsgerichte interventie inzetten, de relationele betekenis bespreken of besluiten het onderwerp voorlopig te laten rusten.
Daarna wordt opnieuw gevolgd wat er gebeurt.
Heeft de interventie iets geopend? Is Hans meer aanwezig? Heeft hij meer woorden voor zijn ervaring? Raakte hij juist verder verwijderd van zichzelf? Klopte de hypothese? Is er iets te integreren of helpt uitleg hem begrijpen wat er zojuist gebeurde?
Zo blijft de therapeut leren van de cliënt en blijft iedere theorie ondergeschikt aan wat zich daadwerkelijk in het proces laat zien.
Integratieve voltooiing
Soms wordt tijdens therapeutisch werk een beweging voelbaar die iemand eerder in zijn ontwikkeling heeft moeten onderbreken.
Een cliënt voelt bijvoorbeeld voor het eerst duidelijk de impuls om iemand van zich af te duwen. Een ander merkt verdriet dat steeds werd afgebroken zodra het dichtbij kwam. Iemand ontdekt een heldere ‘nee’ op een plek waar aanpassen vroeger veiliger was.
Bellein gebruikt hiervoor het begrip integratieve voltooiing.
Integratieve voltooiing is het relationeel gedragen proces waarin een cliënt een gestagneerde emotionele beweging alsnog kan afmaken, waardoor oude overtuigingen of scripts hun dwingende vanzelfsprekendheid kunnen verliezen en de keuzevrijheid in gedrag kan toenemen.
Lichaam, emotie, betekenis en relatie blijven daarbij zoveel mogelijk met elkaar verbonden.
Een cliënt die hard op een kussen slaat heeft daarmee nog geen oud patroon veranderd. Interessanter is wat er tijdens en na die ervaring gebeurt. Kan hij zijn kracht werkelijk voelen? Kan hij bij zichzelf blijven? Kan hij in contact blijven met de therapeut? Verandert er iets in de oude overtuiging dat boosheid gevaarlijk is? Heeft hij daarna in zijn dagelijks leven meer ruimte om eerder een grens aan te geven?
Daar wordt zichtbaar of een ervaring werkelijk geïntegreerd raakt.
Waar is Lichaamsgericht Hechtingswerk op gebaseerd?
LHW brengt kennis uit verschillende tradities en vakgebieden samen. Die kennis heeft verschillende wetenschappelijke statussen.
Dat onderscheid vinden we belangrijk.
Hechtingsonderzoek, delen van de ontwikkelingspsychologie, onderzoek naar de therapeutische alliantie, interoceptie en verschillende processen rond stress- en emotieregulatie beschikken over een omvangrijke empirische onderzoekstraditie.
Daarnaast werkt Bellein met psychodynamische kennis over onder andere afweer, onbewuste processen, overdracht, tegenoverdracht en relationele patronen.
Een ander deel van de kennis komt uit lichaamsgerichte therapeutische tradities, waaronder het werk van Wilhelm Reich en Alexander Lowen. Begrippen als karakterstructuren, musculaire bescherming, motiliteit, grounding en energetische concepten hebben grote invloed gehad op het lichaamsgerichte werkveld. Binnen Bellein worden zij gebruikt als theoretische en practice-based referentiekaders. Hun klinische waarde kan worden onderzocht zonder ervan uit te gaan dat iedere oorspronkelijke verklaring wetenschappelijk is aangetoond.
Ook hedendaagse lichaamsgerichte benaderingen, waaronder Sensorimotor Psychotherapy en Somatic Experiencing, hebben invloed op het bredere vakgebied.
Lichaamsgericht Hechtingswerk als compleet Bellein-model is nog niet als afzonderlijke methode wetenschappelijk onderzocht. Bellein presenteert LHW daarom niet als een wetenschappelijk bewezen totaalmethodiek.
We willen precies kunnen aangeven waar kennis vandaan komt: uit empirisch onderzoek, theoretische modellen, klinische en practice-based kennis of uit de eigen professionele ontwikkeling van Bellein.
Hoe is Lichaamsgericht Hechtingswerk ontstaan?
De ontwikkeling van LHW begon in de therapeutische praktijk.
Praktijk Bellein bestaat sinds 2013. Vanuit individueel therapeutisch werk, groepswerk, intervisie en supervisie groeide door de jaren heen een steeds duidelijker samenhang tussen lichaamsgericht werk, hechting, karakter, bescherming, musculoskeletaal werk en de therapeutische relatie.
Bellein Academie werd in 2018 opgericht. Vanuit de academie ontstonden onder andere de tweejarige training voor persoonlijke ontwikkeling, tegenwoordig Bellein Essence, en later de beroepsopleiding tot Lichaamsgericht Hechtingstherapeut.
Het inhoudelijke model is sindsdien verder ontwikkeld en verfijnd in curriculum, beroepscompetenties, supervisie, toetsing en professionele kaders.
Bellein heeft de afzonderlijke theoretische tradities waarop het werk steunt niet ontwikkeld. De eigen bijdrage ligt in de manier waarop kennis wordt geselecteerd, met elkaar verbonden en geordend en vervolgens wordt vertaald naar een professionele wijze van waarnemen, begrijpen, begeleiden en therapeutisch handelen.
Wat is het verschil tussen Lichaamsgericht Hechtingswerk en Lichaamsgerichte Hechtingstherapie?
De twee begrippen horen bij elkaar en hebben ieder een eigen functie.
Lichaamsgericht Hechtingswerk is het brede referentie- en handelingskader.
Het kan worden gebruikt binnen persoonlijke ontwikkeling, onderwijs, professionele verdieping, vakontwikkeling en therapeutisch werk.
Lichaamsgerichte Hechtingstherapie is de therapeutische toepassing van dit kader bij cliënten.
Daar horen verantwoordelijkheden bij die gelden voor professioneel therapeutisch werk, zoals een zorgvuldige intake, gezamenlijk doelen formuleren, informed consent, deskundigheidsgrenzen bewaken, evalueren, supervisie gebruiken en waar nodig samenwerken of verwijzen.
Vanuit welke kennis en visie is Lichaamsgericht Hechtingswerk opgebouwd?
Lichaamsgericht Hechtingswerk is ontstaan op het snijvlak van verschillende kennisgebieden. Daar horen lichaamsgerichte en psychotherapeutische tradities bij en daarnaast filosofie, ontwikkelingspsychologie, hechtingsonderzoek, kennis over het lichaam en het zenuwstelsel en jarenlange klinische ervaring.
Die breedte is wezenlijk voor LHW.
Binnen Bellein wordt een mens nooit gereduceerd tot een klacht of probleem. We onderzoeken hoe iemand zich heeft ontwikkeld, hoe hij zichzelf heeft leren beschermen, hoe hij relaties aangaat, wat zijn lichaam laat zien, wat hij lichamelijk ervaart, welke betekenis hij aan ervaringen geeft, hoeveel spanning hij kan dragen en welke mogelijkheden hij inmiddels heeft om vrijer te kiezen.
Daarbij kijken we ook naar wat in iemand gezond, levend en verlangend aanwezig is.
Therapeutisch werk gaat binnen Bellein daarom uiteindelijk ook over de vraag: wie kan iemand worden wanneer oude bescherming minder bepalend hoeft te zijn?
Mensbeeld, individuatie en persoonlijke vorming
Onder Lichaamsgericht Hechtingswerk ligt een mensbeeld waarin ontwikkeling gedurende het hele leven mogelijk blijft. Een mens is meer dan zijn geschiedenis, karakter, klachten of bescherming.
Het werk van Carl Gustav Jung is hierin een belangrijke bron. Jung beschreef ontwikkeling onder andere vanuit het proces van individuatie: de beweging waarin een mens steeds meer leert kennen en integreren van wie hij is. De persona, het bewuste zelfbeeld, de schaduw, onbewuste inhoud en het Zelf spelen binnen zijn analytische psychologie ieder een eigen rol.
Voor Bellein is vooral die ontwikkelingsgedachte van betekenis.
Therapeutisch werk kan iemand helpen meer van zichzelf te herkennen, verdragen en toe te eigenen. Oude identificaties kunnen worden onderzocht. Delen van de persoon die jarenlang buiten beeld bleven omdat zij te pijnlijk, ongewenst of gevaarlijk leken, kunnen opnieuw deel gaan uitmaken van de volwassen persoonlijkheid.
Daar sluit de filosofie van persoonlijke vorming van Joep Dohmen op een andere manier bij aan. In Iemand zijn. Filosofie van de persoonlijke vorming staat centraal hoe een mens zich kan ontwikkelen tot een zelfstandig én betrokken persoon. Zelfkennis, aandacht, oefening, vrijheid, verantwoordelijkheid en onderzoeken wat werkelijk van betekenis is spelen daarin een belangrijke rol.
Dat raakt rechtstreeks aan een centrale vraag binnen LHW:
Hoe wordt iemand steeds meer in staat om vanuit zichzelf te leven en tegelijkertijd werkelijk in relatie met andere mensen te staan?
Vrijheid betekent binnen deze visie ook dat er werkelijk iets te kiezen valt.
Wanneer iemand automatisch toegeeft zodra een ander teleurgesteld kijkt, wordt zijn gedrag sterk bepaald door een oud patroon. Wanneer hij teleurstelling en schuldgevoel kan verdragen, zijn eigen verlangen kan blijven voelen en vervolgens bewust bepaalt wat hij wil doen, is zijn handelingsruimte groter geworden.
Die toegenomen keuzevrijheid is voor Bellein een belangrijk teken van ontwikkeling.
Ontwikkeling en hechting
Een tweede fundament ligt in de ontwikkelingspsychologie en hechtingstheorie.
Het werk van Bowlby en Ainsworth heeft veel kennis opgeleverd over de manier waarop vroege relaties bijdragen aan verwachtingen over veiligheid, beschikbaarheid, nabijheid en steun. Latere auteurs zoals Fonagy, Wallin, Schore en Siegel hebben vanuit verschillende invalshoeken verder gewerkt rond affectregulatie, mentaliseren, zelfervaring en relationele ontwikkeling.
Bellein gebruikt hechting breed.
Het gaat om vragen als: kan ik iemand nodig hebben? Kan ik steun ontvangen? Kan ik mezelf blijven wanneer ik van iemand houd? Wat gebeurt er wanneer de ander afstand neemt? Mag ik boos worden? Kan ik verschillen van iemand en verbonden blijven? Kan ik grenzen stellen en daarna weer contact maken?
Hechting blijft daardoor geen verhaal over de jeugd.
De manier waarop iemand verbinding, afhankelijkheid, autonomie, conflict en verlies organiseert kan iedere dag opnieuw zichtbaar worden in partnerrelaties, vriendschappen, werk en uiteindelijk ook in de therapeutische relatie.
Het musculoskeletale lichaam: houding, beweging, kracht en proprioceptie
Lichaamsgericht Hechtingswerk werkt met een werkelijk lichaam.
Dat lichaam bestaat onder andere uit spieren, botten, gewrichten, pezen, ligamenten en bindweefsel. Het musculoskeletale systeem geeft vorm, steun en bewegingsmogelijkheden. Daardoor kunnen we reiken, duwen, trekken, grijpen, vasthouden, loslaten, wegbewegen, naderen, dragen, buigen en ons oprichten.
Deze bewegingen zijn voor lichaamsgericht werk relevant omdat een mens zich ook lichamelijk organiseert in verhouding tot zichzelf, andere mensen en de omgeving.
We staan, bewegen en ademen. We spannen spieren aan en ontspannen ze weer. We bewegen naar iets toe of ervan weg. We maken ons klein of nemen ruimte in. We zetten kracht en gewicht in of houden die juist terug.
Daarbij speelt proprioceptie een belangrijke rol. Via informatie uit spieren, pezen en gewrichten registreert het zenuwstelsel voortdurend waar lichaamsdelen zich bevinden, hoe het lichaam beweegt en hoeveel kracht wordt gebruikt.
Binnen LHW kijken we daarom verder dan sensaties als warmte, druk of een knoop in de buik. Ook houding, bewegingskwaliteit, spiertonus, balans, steun, motiliteit, kracht, impuls en het vermogen om beweging te beginnen, af te remmen of af te maken kunnen relevante informatie geven.
De lichaamsgerichte tradities van Reich en Lowen hebben Bellein sterk beïnvloed in het kijken naar musculaire organisatie, chronische spanning, karakter, expressie en beweging.
Dezelfde professionele regel blijft gelden: lichamelijke organisatie levert informatie die verder onderzocht moet worden. Een ingetrokken borstkas, een harde kaak of weinig beweging in het bekken vertelt op zichzelf niet waarom iemand zich zo organiseert.
Anatomie en fysiologie geven kennis over het lichaam. De psychologische en relationele betekenis ontstaat in samenhang met de persoon.
Het autonome zenuwstelsel: activatie, herstel en regulatie
Naast het musculoskeletale lichaam speelt het autonome zenuwstelsel een belangrijke rol binnen LHW.
Het autonome zenuwstelsel reguleert voortdurend lichamelijke processen waarop we slechts beperkt bewust invloed hebben, waaronder hartslag, bloeddruk, spijsvertering en verschillende onderdelen van de ademhaling. Sympathische en parasympathische processen werken voortdurend samen om het organisme af te stemmen op wat de situatie vraagt.
Voor LHW is vooral belangrijk dat een cliënt tijdens een therapeutisch proces voortdurend van lichamelijke en emotionele toestand kan veranderen.
Iemand kan rustig beginnen te vertellen en enkele minuten later nauwelijks nog contact ervaren met zijn lichaam. Een ander wordt alerter, gaat sneller praten en spant steeds meer spieren aan. Weer iemand anders wordt stil, vlak en moeilijk bereikbaar wanneer de emotionele belasting te groot wordt.
De therapeut volgt daarom naast de inhoud ook de toestand waarin die inhoud wordt ervaren.
Daarom is draagkracht zo belangrijk binnen LHW. Een inzicht dat iemand rustig kan begrijpen, kan tijdens sterke activatie tijdelijk nauwelijks toegankelijk zijn. Therapeutisch werken vraagt dan aandacht voor tempo, dosering, oriëntatie, lichamelijke steun, beweging, relatie en herstel.
De polyvagaaltheorie van Stephen Porges
De polyvagaaltheorie van Stephen Porges heeft veel invloed gekregen binnen hedendaags lichaamsgericht en traumagericht werk.
Begrippen als neuroceptie, autonome toestand en het verband tussen ervaren veiligheid en sociale betrokkenheid hebben therapeuten een taal gegeven om verschillen in lichamelijke en relationele toestand te onderzoeken.
Bellein gebruikt delen van dit denken als klinisch referentiekader. Het kan bijvoorbeeld helpen onderzoeken wat er met contact, stem, blik, adem, mobilisatie en bereikbaarheid gebeurt wanneer iemand zich meer ontspannen, geactiveerd of bedreigd voelt.
Daarbij onderscheiden we het klinische model van de wetenschappelijke status van de afzonderlijke neurofysiologische verklaringen.
Over verschillende onderdelen van de polyvagaaltheorie bestaat binnen de wetenschap discussie. Bellein gebruikt Porges daarom als een invloedrijk theoretisch en klinisch model en presenteert de theorie niet als de enige of definitieve verklaring voor de werking van het autonome zenuwstelsel.
De fysiologie van sympathische en parasympathische regulatie, de wisselwerking tussen hersenen en lichaam en de invloed van lichamelijke toestand op waarneming en gedrag hebben een bredere wetenschappelijke basis.
Emotie, lichaamsbewustzijn en betekenisgeving
LHW sluit daarnaast aan bij hedendaagse kennis over interoceptie, emotie en de voortdurende informatie-uitwisseling tussen lichaam en hersenen.
Antonio Damasio heeft veel invloed gehad op het denken over de verwevenheid van lichamelijke toestand, gevoel en besluitvorming.
Lisa Feldman Barrett benadrukt vanuit een andere theoretische invalshoek hoe context, eerdere ervaring, lichamelijke informatie en betekenisgeving gezamenlijk bijdragen aan emotionele ervaring.
Voor Bellein ondersteunt dat een belangrijk uitgangspunt: een lichamelijke sensatie heeft geen vaste psychologische vertaling.
Een versnelde hartslag kan samengaan met angst, boosheid, verlangen, inspanning, schaamte of opwinding. De context, de persoon en de betekenis die hij aan de ervaring geeft blijven essentieel.
Psychodynamische en relationele kennis
Ook psychodynamische en relationele kennis vormt een belangrijk fundament van LHW.
Daaruit komen begrippen als afweer, onbewuste processen, overdracht en tegenoverdracht. Zij helpen begrijpen dat iemand in actuele relaties verwachtingen, angsten en manieren van contact kan meenemen die eerder in zijn ontwikkeling zijn ontstaan.
Jung heeft hierin invloed, evenals latere hechtingsgerichte, psychodynamische en relationele auteurs.
Bellein betrekt daar voortdurend het lichaam bij.
We luisteren naar wat iemand vertelt en volgen tegelijk wat in zijn lichaam en tussen cliënt en therapeut gebeurt.
Daardoor kan een patroon dat lange tijd vooral in woorden werd beschreven ineens concreet voelbaar worden in het moment zelf.
Lichaamsgerichte en traumagerichte praktijkkennis
LHW put daarnaast uit een lange therapeutische praktijktraditie.
Reich en Lowen hebben grote invloed gehad op lichaamsgericht denken over karakter, musculaire bescherming, beweging, grounding, energie en expressie.
Het Pathwork en Core Energetics voegen daar onder andere een visie op innerlijke lagen, bewustzijn, bescherming en menselijke ontwikkeling aan toe.
Hedendaagse benaderingen zoals Sensorimotor Psychotherapy en Somatic Experiencing hebben het lichaamsgerichte veld verder ontwikkeld rond trauma, lichamelijke gewaarwording, beschermingsreacties, dosering en draagkracht.
Bellein gebruikt deze bronnen als onderdelen van een groter geheel.
Het resultaat is Lichaamsgericht Hechtingswerk: een eigen professioneel kader waarin filosofie en mensbeeld, ontwikkeling en hechting, psyche, musculoskeletale organisatie, autonome regulatie, emotie, karakter, bescherming, trauma en therapeutische relatie gezamenlijk worden onderzocht.
Hoe verhoudt LHW zich tot andere lichaamsgerichte stromingen?
Lichaamsgericht Hechtingswerk is verwant aan verschillende therapeutische stromingen en heeft uit meerdere daarvan kennis en begrippen opgenomen. LHW valt met geen van deze afzonderlijke benaderingen samen.
Bioenergetische Analyse
Bioenergetische Analyse ontstond vanuit het werk van Alexander Lowen, die voortbouwde op Wilhelm Reich. Binnen deze traditie staan onder andere karakter, musculaire spanning, houding, beweging, adem, motiliteit, grounding, energie en expressie centraal.
Die invloed is binnen Bellein duidelijk herkenbaar.
LHW gebruikt lichaamswaarneming, karaktertheorie, beweging, grounding en het onderzoeken van lichamelijke bescherming. Bellein plaatst die informatie binnen een breder kader waarin ook hechting, ontwikkeling, trauma en draagkracht, de therapeutische relatie, de respons van de therapeut en professionele hypothesevorming voortdurend worden meegenomen.
Core Energetics en Pathwork
Core Energetics bouwde voort op de lichaamsgerichte traditie van Reich en Lowen en verbond deze met het Pathwork en een bredere visie op bewustzijn en menselijke ontwikkeling.
Bellein gebruikt onder andere het denken over masker, lagere zelf en hogere zelf uit deze traditie.
Deze begrippen kunnen helpen onderzoeken wat iemand aan de buitenwereld laat zien, welke moeilijk te erkennen gevoelens, verlangens of impulsen daaronder kunnen liggen en welke kwaliteiten meer ruimte krijgen wanneer iemand zichzelf vollediger leert dragen.
De termen en hun oorsprong blijven verbonden aan de Core Energetics- en Pathworktraditie.
Binnen LHW worden zij geïntegreerd met hechting, karakter, lichaamswaarneming, draagkracht en relationeel therapeutisch werk.
Sensorimotor Psychotherapy
Sensorimotor Psychotherapy is een lichaamsgerichte psychotherapeutische benadering waarin lichamelijke ervaring wordt betrokken bij de behandeling van trauma en ontwikkelings- en hechtingsthema's.
Er bestaat veel verwantschap met LHW in het volgen van lichamelijke reacties, beweging, procedurele patronen, trauma, hechting en wat in het actuele moment gebeurt.
Bellein houdt daarnaast de Reichiaanse en bio-energetische karaktertraditie nadrukkelijk beschikbaar en ordent professionele waarneming via de TegelWijzer. Daarin krijgen ook bescherming, de therapeutische relatie en de respons van de therapeut een vaste plaats.
Somatic Experiencing
Somatic Experiencing, ontwikkeld door Peter Levine, richt zich sterk op de manier waarop het organisme reageert op bedreiging en op het gedoseerd volgen van lichamelijke sensaties, activatie en beschermingsimpulsen.
Binnen deze benadering bestaat veel aandacht voor titratie en voor defensieve reacties die tijdens een bedreigende situatie mogelijk werden onderbroken.
Dat heeft raakvlakken met het proceswerk binnen Bellein en met integratieve voltooiing.
Bellein plaatst zo'n proces nadrukkelijk in een hechtings- en relationele context. Naast lichamelijke beweging wordt onderzocht welke betekenis de ervaring heeft, welke oude overtuiging of relationele verwachting ermee samenhangt, wat er tussen cliënt en therapeut gebeurt en of de ervaring uiteindelijk leidt tot meer draagkracht en keuzevrijheid.
Hechtingsgerichte, psychodynamische en relationele therapieën
Hechtingsgerichte en psychodynamische benaderingen leveren belangrijke kennis over vroege relaties, afweer, onbewuste verwachtingen, overdracht, tegenoverdracht en relationele herhaling.
LHW deelt veel van die aandacht.
De lichamelijke dimensie blijft daarbij voortdurend beschikbaar.
Een verwachting van afwijzing kan bijvoorbeeld zichtbaar worden in wat iemand vertelt en tegelijkertijd in een ingehouden adem, een verdwijnende blik, een terugtrekkende beweging en de sterke behoefte van de therapeut om die persoon gerust te stellen.
Binnen LHW worden die verschillende informatiebronnen gezamenlijk onderzocht.
Een eigen integratie
Lichaamsgericht Hechtingswerk is daardoor het best te begrijpen als een eigen professionele integratie.
Bellein heeft hechtingstheorie, ontwikkelingspsychologie, psychodynamische en relationele kennis, lichaamsgerichte karaktertheorie, kennis over het musculoskeletale lichaam, neurobiologische en autonomische kennis, traumagerichte inzichten, filosofische persoonsvorming en jarenlange therapeutische praktijk samengebracht binnen één manier van kijken en handelen.
De eigenheid zit in de ordening én in de manier waarop vanuit die ordening professioneel wordt gehandeld.
Een lichaamsgericht hechtingstherapeut kijkt naar het verhaal, het lichaam, de ontwikkelingsgeschiedenis, hechting, karakter en bescherming, lichamelijke organisatie, autonome toestand en draagkracht, de actuele therapeutische relatie en de eigen respons als professional.
Daarna volgt steeds dezelfde opdracht: zorgvuldig waarnemen, verschillende verklaringen openhouden, een werkhypothese vormen, deze samen met de cliënt onderzoeken, handelen vanuit doel en draagkracht en vervolgens opnieuw kijken naar het effect.
Zo wordt de breedte van LHW geen verzameling losse theorieën.
De verschillende kennisgebieden krijgen betekenis doordat ze binnen één professioneel redeneer- en handelingskader met elkaar worden verbonden.
Wat is specifiek Bellein?
De eigenheid van Lichaamsgericht Hechtingswerk zit vooral in de manier waarop wordt gekeken, verbonden en gehandeld.
Het lichaam blijft gedurende het hele proces beschikbaar als informatiebron en ervaringsveld.
Hechting helpt begrijpen wat gebeurt rond nabijheid, behoefte, afhankelijkheid, autonomie, conflict en verlies.
Karakter en bescherming worden onderzocht vanuit hun functie.
Het musculoskeletale lichaam, autonome toestand, emotionele ervaring en relationele betekenis worden zoveel mogelijk in samenhang bekeken.
Trauma wordt steeds gekoppeld aan draagkracht.
De therapeutische relatie wordt serieus genomen als informatiebron en als plaats waar nieuwe ervaringen kunnen ontstaan.
De reactie van de therapeut zelf wordt onderzocht en getoetst.
De Bellein TegelWijzer helpt verschillende informatielagen tegelijkertijd beschikbaar te houden.
En iedere therapeutische keuze blijft onderdeel van een professioneel denkproces waarin waarnemen, onderscheiden, hypothesevorming, toetsen, afstemmen, interveniëren, integreren en evalueren elkaar voortdurend opvolgen.
Daardoor bestaat LHW niet uit één kenmerkende techniek.
Het is een manier om een mens in zijn lichamelijke, psychische, ontwikkelingsgerichte, existentiële en relationele samenhang te begrijpen en van daaruit zorgvuldig te handelen.
Uiteindelijk gaat het om meer dan klachten verminderen of patronen begrijpen.
Het gaat ook over de mogelijkheid om meer iemand te worden: meer aanwezig in het eigen lichaam, meer bewust van de eigen geschiedenis, vrijer ten opzichte van oude bescherming, beter in staat tot verbinding en steeds meer in staat verantwoordelijkheid te dragen voor de keuzes die vandaag gemaakt kunnen worden.
Professionele grenzen horen bij het vak
Lichaamsgericht therapeutisch werk kan dicht bij kwetsbare ervaringen komen.
Daarom zijn consent, lichamelijke autonomie, professionele begrenzing en deskundigheid wezenlijke onderdelen van LHW.
Aanraking vindt alleen plaats wanneer daar een therapeutisch doel voor is, wanneer de cliënt daar duidelijk mee instemt en wanneer hij gedurende het proces vrij blijft om die toestemming te veranderen.
Ook bij intensief proceswerk moet de therapeut voortdurend blijven volgen hoeveel spanning iemand kan dragen en of voldoende contact met het hier en nu beschikbaar blijft.
Sommige hulpvragen vallen buiten de eigen deskundigheid. Dan vraagt professioneel handelen om overleg, samenwerking of verwijzing naar bijvoorbeeld huisarts, psycholoog, psychotherapeut, psychiater, gespecialiseerde traumazorg of andere passende hulpverlening.
Supervisie, reflectie en verdere scholing blijven daarom ook na het behalen van een diploma onderdeel van professioneel handelen.
Voor wie is Lichaamsgericht Hechtingswerk bedoeld?
LHW wordt binnen Bellein op verschillende manieren gebruikt.
Mensen die zichzelf beter willen leren begrijpen kunnen binnen Bellein Essence onderzoeken hoe lichaam, hechting, karakter, bescherming, verlangen en relaties in hun eigen leven met elkaar samenhangen.
Professionals kunnen LHW gebruiken om hun bestaande manier van werken te verdiepen en lichamelijke, hechtingsgerichte en relationele informatie zorgvuldiger in hun professionele afwegingen te betrekken.
Wie het vak volledig wil leren, kan worden opgeleid tot Lichaamsgericht Hechtingstherapeut. Binnen de beroepsopleiding worden theoretische kennis, persoonlijke doorleving, therapeutische vaardigheden, cliëntwerk, supervisie, ethiek en professioneel onderscheidingsvermogen gedurende meerdere jaren met elkaar verbonden.
Verder verdiepen
Wil je eerst meer begrijpen over lichaamsgericht werken, hechting, karakter, trauma, lichaamslezing, het zenuwstelsel of de therapeutische relatie? In het kenniscentrum van Bellein Academie werken we deze onderwerpen afzonderlijk verder uit.
Wil je Lichaamsgericht Hechtingswerk zelf ervaren, dan kun je kennismaken tijdens een kennismakingsworkshop of kiezen voor het tweejarige traject Bellein Essence.
Wil je ermee leren werken als professional, dan kun je meer lezen over de vierjarige beroepsopleiding tot Lichaamsgericht Hechtingstherapeut en de verkorte beroepsopleiding voor ervaren professionals.
