
Wat is lichaamsgerichte hechtingstherapie?
Wat is Lichaamsgerichte Hechtingstherapie?
Soms begrijpt iemand heel goed waar een patroon vandaan komt en blijft zijn reactie toch hetzelfde.
- Hij weet bijvoorbeeld dat hij zijn partner niet hoeft te verliezen wanneer hij een grens stelt. Toch trekt zijn lichaam zich samen zodra hij merkt dat de ander teleurgesteld is.
- Een vrouw kan precies vertellen dat zij zich minder verantwoordelijk wil voelen voor andere mensen en tijdens het gesprek alweer feilloos volgen wat de therapeut nodig lijkt te hebben.
- Iemand kan weten dat boosheid gezond kan zijn en op het moment dat irritatie ontstaat onmiddellijk vriendelijker gaan praten.
Op zulke momenten is inzicht aanwezig, terwijl een andere laag van de persoon nog volgens een oud patroon reageert.
Lichaamsgerichte Hechtingstherapie, afgekort LHT, is de therapeutische toepassing van Lichaamsgericht Hechtingswerk binnen een professioneel therapeutisch kader.
De therapeut verbindt wat de cliënt vertelt met wat zichtbaar en ervaarbaar wordt in het lichaam, ontwikkeling en hechting, karakter en bescherming, trauma en draagkracht en de actuele therapeutische relatie. Ook de reactie van de therapeut zelf kan informatie geven, mits deze zorgvuldig wordt onderzocht.
Het doel is het lichaam van een cliënt zo precies mogelijk volgen en van daaruit therapeutisch handelen op een manier die past bij deze persoon, dit moment, zijn draagkracht en zijn hulpvraag.
Wat is het verschil tussen LHW en LHT?
Lichaamsgericht Hechtingswerk en Lichaamsgerichte Hechtingstherapie horen bij elkaar en hebben ieder een eigen functie.
Lichaamsgericht Hechtingswerk (LHW) is het brede referentie- en handelingskader.
Binnen dat kader worden lichaam, ontwikkeling en hechting, karakter en bescherming, trauma en draagkracht, therapeutische relatie, respons van de professional en actuele levenscontext met elkaar verbonden.
LHW kan worden gebruikt binnen persoonlijke ontwikkeling, onderwijs, professionele verdieping, vakontwikkeling en therapeutisch werk.
Lichaamsgerichte Hechtingstherapie (LHT) is de therapeutische toepassing van dat kader bij cliënten.
Bij LHT hoort daarom ook alles wat professioneel cliëntwerk vraagt: een zorgvuldige intake, een heldere hulpvraag en behandeldoelen formuleren, afstemming, professioneel begeleiden, evalueren, dossiervoering, supervisie en samenwerking of verwijzing wanneer de hulpvraag buiten de eigen deskundigheid valt.
Hoe werkt Lichaamsgerichte Hechtingstherapie?
Een cliënt komt meestal binnen met een vraag, vaak is het iets wat hem frustreert of ongelukkig maakt.
Misschien loopt hij steeds vast in relaties. Misschien durft hij moeilijk grenzen te stellen. Hij heeft veel inzicht in zichzelf en merkt dat zijn reacties nauwelijks veranderen. Hij raakt snel overspoeld of sluit zich juist af. Hij verlangt naar nabijheid en trekt zich terug zodra die nabijheid werkelijk ontstaat. Er zijn vele beweegredenen te noemen.
De therapeut luistert naar wat de cliënt vertelt en volgt tegelijkertijd wat tijdens het vertellen gebeurt in het lichaam.
Verandert de adem wanneer een bepaald onderwerp ter sprake komt? Spant iemand zich aan? Wordt de stem zachter? Gaat iemand sneller praten? Komt er beweging in het lichaam of wordt iemand juist stil? Verandert het contact met de therapeut? Komt er een impuls om weg te bewegen, te duwen, te reiken of zich klein te maken?
LHT begint bij zorgvuldig waarnemen en vervolgens onderzoeken welke betekenis die waarnemingen voor deze cliënt kunnen hebben.
Een lichamelijke reactie wordt verbonden met andere informatie. Je kunt dan denken aan:
- Wat is er in het leven van deze persoon gebeurd?
- Hoe heeft hij geleerd om met behoefte, afhankelijkheid, boosheid, afstand en nabijheid om te gaan?
- Welke bescherming gebruikt hij?
- Wat gebeurt er in de actuele relaties?
- Hoeveel spanning kan hij verdragen?
Zo ontstaat geleidelijk een werkhypothese. Die werkhypothese blijft voorlopig en wordt steeds opnieuw getoetst.
Het lichaam als informatiebron en ervaringsveld
Binnen LHT heeft het lichaam een centrale plaats.
Dat lichaam is geen geheimschrift waaruit de therapeut de waarheid over iemand kan aflezen.
Het lichaam geeft informatie. De betekenis daarvan mag verder worden uitgediept.
Zo kan een cliënt zeggen dat iets hem weinig doet en tegelijkertijd zijn adem inhouden. Of een vrouw vertelt dat zij naar intimiteit verlangt terwijl een deel van haar lichaam achteruit beweegt zodra iemand dichterbij komt. En weer iemand anders kan praten over een conflict en pas tijdens een lichaamsgerichte oefening merken hoeveel kracht hij gebruikt om zijn armen tegen zijn lichaam aan te houden.
Daar kan iets belangrijks zichtbaar worden.
De therapeut onderzoekt onder andere adem, houding, spierspanning, motiliteit, bewegingskwaliteit, impuls, expressie, stem, blik, tempo, toenadering, afstand en de lichamelijke gewaarwordingen die de cliënt zelf ervaart.
Ook het musculoskeletale lichaam is relevant. Spieren, gewrichten, steun, balans, kracht en beweging geven informatie over hoe iemand zichzelf lichamelijk organiseert.
De therapeut kan bijvoorbeeld onderzoeken hoe gemakkelijk iemand kracht inzet, hoe een grens lichamelijk vorm krijgt, of iemand kan reiken en ontvangen, hoe iemand zichzelf draagt en wat er gebeurt wanneer een beweging meer ruimte krijgt.
Steeds blijft de vraag open wat deze waarneming voor deze persoon betekent.
Lichaamslezing binnen LHT
Een lichaamslezing is binnen LHT het systematisch waarnemen van lichamelijke informatie en het verbinden daarvan met andere gegevens over de cliënt.
Een therapeut kan bijvoorbeeld een hoge spiertonus waarnemen, een oppervlakkige ademhaling, weinig beweging in het bekken of een sterk beheerste houding. Ook kan zichtbaar worden dat een bepaalde beweging moeilijk beschikbaar is of dat iemand veel kracht gebruikt om een impuls af te remmen.
Binnen Bellein kunnen we zo’n plek beschrijven als een lichamelijke blokkade. Daarmee bedoelen we dat beweging, expressie of impuls daar beperkt beschikbaar lijkt. Wat daar psychologisch mee samenhangt, ligt vooraf niet vast.
De therapeut onderzoekt daarom samen met de cliënt wat er gebeurt wanneer zo’n gebied meer aandacht of beweging krijgt. Soms wordt dan een emotie, impuls of herinnering toegankelijk die eerder nauwelijks bewust werd ervaren. Op een ander moment blijkt de lichamelijke organisatie een heel andere betekenis te hebben.
Daarom levert lichaamslezing binnen LHT altijd werkhypothesen op die verder worden onderzocht.
Dezelfde lichamelijke organisatie kan bij verschillende mensen een andere achtergrond en betekenis hebben. Als lichaamsgericht hechtingstherapeut heb je dan ook zorgvuldig waar te nemen en te onderzoeken. Lichamelijke constitutie, sport, gezondheid, gewoonte, cultuur, beroep, stemming, actuele spanning en persoonlijke geschiedenis kunnen allemaal invloed hebben.
Daarom levert lichaamslezing werkhypothesen op.
De therapeut onderzoekt vervolgens samen met de cliënt wat hij zelf ervaart, wanneer bepaalde reacties optreden en hoe deze samenhangen met zijn geschiedenis, relaties, emoties en bescherming.
Zo wordt een lichaamslezing een vorm van professioneel begeleiden in plaats van karakterdiagnostiek op basis van uiterlijk.
Waarom hechting centraal staat
Hechting gaat over een fundamenteel menselijk gegeven: we ontwikkelen ons in relatie.
Een kind heeft ouders (opvoeders) nodig voor verzorging, veiligheid, troost, bescherming en contact. In die relaties doet het voortdurend ervaringen op met behoefte, nabijheid, afstand, ontvangen, wachten, boosheid, afhankelijkheid en autonomie.
Daaruit ontstaan verwachtingen.
- Kan ik iemand nodig hebben?
- Komt er iemand wanneer ik verdriet heb?
- Mag ik boos worden?
- Wat gebeurt er wanneer ik ‘nee’ zeg?
- Kan ik weggaan en later weer terugkomen?
- Blijft iemand beschikbaar wanneer ik iets anders wil?
- Mag ik steun ontvangen?
- Kan ik mezelf blijven wanneer ik dichtbij iemand ben?
Deze vragen worden meestal niet bewust als regels opgeslagen. Ze kunnen wel terugkomen in hoe iemand later relaties aangaat.
Een cliënt kan bijvoorbeeld zeggen dat hij graag steun wil ontvangen en tegelijkertijd alles zelf blijven regelen. Een ander verlangt sterk naar nabijheid en wordt achterdochtig zodra iemand werkelijk beschikbaar is. Iemand kan veel liefde voelen en zich in een conflict zo snel aanpassen dat zijn eigen positie vrijwel verdwijnt.
Binnen LHT onderzoeken we zulke patronen in hun psychische, lichamelijke en relationele samenhang.
Hechting wordt zichtbaar in het huidige contact
De actuele therapeutische relatie is daarom een belangrijk werkgebied.
Stel dat een cliënt vertelt dat hij prima kan omgaan met meningsverschillen.
De therapeut spreekt hem tijdens een sessie tegen. Binnen enkele seconden verandert zijn stem. Hij lacht, trekt zijn schouders iets op en zegt: “Nee joh, maakt niet uit. Jij zult het wel beter weten.”
Op papier ging het gesprek misschien over een partner of collega.
In de ruimte gebeurt ondertussen iets wat mogelijk veel relevanter is.
- Kan de cliënt ervaren dat hij het oneens is en tegelijkertijd verbonden blijven?
- Voelt hij wat hij werkelijk vindt?
- Verwacht hij afwijzing?
- Probeert hij de therapeut gerust te stellen?
- Voelt hij boosheid en verdwijnt die zodra hij merkt dat de ander anders denkt?
De therapeut hoeft daar geen snelle verklaring voor te hebben. Samen kunnen zij onderzoeken wat er op dat moment gebeurt.
Daarmee komt een oud relationeel patroon beschikbaar in het heden. En juist in het heden kan soms ook een andere ervaring ontstaan.
- De cliënt kan bijvoorbeeld ervaren dat hij verschil verdraagt en de relatie blijft bestaan.
- Hij kan een grens aangeven en merken dat de therapeut aanwezig blijft.
- Hij kan steun ontvangen zonder zijn autonomie te verliezen.
Karakter en bescherming
LHT gebruikt onder andere karaktertheoretische kennis uit de lichaamsgerichte traditie van Wilhelm Reich en Alexander Lowen.
Binnen Bellein gebruiken we karakterstructuren als theoretische en klinische denkkaders. Een karakterstructuur is geen diagnose en een mens valt nooit samen met een type. Karaktertheorie helpt vooral om terugkerende samenhangen te onderzoeken.
- Hoe gaat iemand om met behoefte en afhankelijkheid?
- Hoe organiseert hij autonomie?
- Wat gebeurt er rond macht, controle, kwetsbaarheid, intimiteit, expressie, schaamte, boosheid of verlangen?
Daarbij staat de functie van bescherming centraal.
- Iemand die alles zelf doet, heeft mogelijk geleerd dat afhankelijk zijn risico geeft.
- Iemand die voortdurend afstemt op anderen kan daarmee vroeger contact hebben behouden.
- Een sterke behoefte aan controle kan jarenlang houvast hebben gegeven.
- Een beheerste houding kan iemand geholpen hebben gevoelens binnen draaglijke grenzen te houden.
Die bescherming verdient eerst begrip.
Vervolgens ontstaat een andere vraag: hoeveel keuze heeft iemand vandaag nog?
- Wil iemand zelfstandig blijven en steun aannemen?
- Wil hij gevoelig zijn voor anderen en tegelijkertijd zichzelf voelen?
- Wil hij kracht gebruiken zonder bang te worden voor zijn eigen agressie?
- Wil zij ontspannen zonder direct het gevoel te krijgen de controle kwijt te raken?
Therapeutische verandering betekent dan dat oude bescherming minder dwingend wordt en meer mogelijkheden beschikbaar komen.
Trauma en draagkracht
Traumatische en langdurig belastende ervaringen kunnen blijven doorwerken in lichamelijke, emotionele, cognitieve en relationele reacties.
Iemand kan sneller geactiveerd raken, voortdurend alert zijn, bepaalde gevoelens vermijden, verstarren, dissociëren of moeite hebben om na spanning terug te keren naar rust.
Binnen LHT wordt daarom steeds gekeken naar draagkracht.
De therapeut onderzoekt hoeveel spanning en emotionele verdieping iemand op dat moment kan verdragen en verwerken.
- Blijft de cliënt voldoende aanwezig?
- Kan hij zichzelf en de ruimte blijven ervaren?
- Kan hij in contact blijven met de therapeut?
- Kan hij na activatie weer terugkeren?
- Wordt de ervaring groter dan hij op dat moment kan verwerken?
- Vraagt het proces om vertraging, stabilisatie, meer steun of juist ruimte voor verdere verdieping?
Intensiteit is binnen Bellein geen maatstaf voor therapeutische kwaliteit. Een zeer emotionele sessie kan betekenisvol zijn. Een subtiele verschuiving kan even belangrijk zijn.
Soms zit de wezenlijke verandering in één moment waarop iemand zijn boosheid voelt en toch aanwezig blijft. Of in het kunnen ontvangen van steun zonder onmiddellijk te gaan zorgen voor degene die steun geeft.
De vraag blijft wat iemand kan dragen, integreren en uiteindelijk in zijn leven kan gebruiken.
Het autonome zenuwstelsel en toestand
De therapeut volgt daarom ook de lichamelijke toestand van de cliënt.
Het autonome zenuwstelsel speelt een belangrijke rol in regulatie, activatie en herstel. Hartslag, ademhaling, spierspanning, aandacht, beweeglijkheid en sociale beschikbaarheid kunnen veranderen wanneer iemand zich bedreigd, gespannen, veilig of ontspannen voelt.
Bellein gebruikt kennis over autonome regulatie om dergelijke veranderingen beter te begrijpen.
Ook delen van de polyvagaaltheorie van Stephen Porges worden als klinisch referentiekader gebruikt. Begrippen rond autonome toestand, ervaren veiligheid en sociale betrokkenheid kunnen helpen om waar te nemen hoe contact en regulatie gedurende een sessie veranderen.
Bellein maakt daarbij onderscheid tussen bruikbare klinische modellen en hun precieze wetenschappelijke status. Verschillende onderdelen van de polyvagaaltheorie zijn onderwerp van wetenschappelijk debat.
Voor de therapeut blijft vooral de actuele waarneming belangrijk: wat gebeurt er nu met deze cliënt en welke interventie helpt hem voldoende aanwezig te blijven?
De therapeut zelf is onderdeel van de ontmoeting
LHT vraagt veel zelfwaarneming van de therapeut.
Tijdens een sessie kan de therapeut ineens spanning voelen. Hij kan slaperig worden, haast krijgen, geïrriteerd raken, zich terug willen trekken of juist een sterke behoefte voelen om de cliënt te helpen. Zo'n reactie kan verschillende bronnen hebben.
Misschien raakt de cliënt iets uit de persoonlijke geschiedenis van de therapeut. Misschien speelt vermoeidheid of een andere factor mee. De reactie kan ook informatie bevatten over wat er relationeel in de sessie ontstaat.
De therapeut onderzoekt daarom eerst zichzelf.
- Wat gebeurt er in mij?
- Ken ik deze reactie?
- Wat zou van mij kunnen zijn?
- Wat verandert er wanneer ik met deze cliënt werk?
- Kan mijn respons iets vertellen over onze interactie?
- Moet ik hiermee eerst naar supervisie?
Binnen LHT wordt de lichamelijke en emotionele respons van de therapeut beschouwd als mogelijke informatie. Zij wordt nooit rechtstreeks tot waarheid over de cliënt verheven.
Dit sluit aan bij het psychodynamische denken over overdracht en tegenoverdracht.
Het vraagt van een therapeut dat hij meer dan voldoende zelfkennis ontwikkelt om onderscheid te kunnen maken tussen zichzelf, de ander en wat er tussen beiden ontstaat.
De Bellein TegelWijzer
Om al deze informatie te kunnen ordenen gebruikt Bellein de TegelWijzer.
De therapeut houdt daarin acht informatielagen beschikbaar:
- Hulpvraag en actuele context – Wat speelt er in het leven van de cliënt en waarmee komt hij nu?
- Ontwikkeling en hechting – Welke relationele ervaringen en verwachtingen kunnen relevant zijn?
- Karakter en bescherming – Welke patronen en beschermingsbewegingen worden zichtbaar en welke functie kunnen zij hebben?
- Lichaam, energie en impuls – Wat is lichamelijk waarneembaar en wat ervaart de cliënt zelf?
- Trauma en draagkracht – Hoeveel spanning en verdieping kan iemand op dit moment verwerken?
- Therapeutische relatie – Wat ontstaat er tussen cliënt en therapeut?
- Reactie van de therapeut – Wat gebeurt er in de professional zelf?
- Professionele context – Wat vragen ethiek, consent, deskundigheid, veiligheid, samenwerking en eventuele verwijzing?
De TegelWijzer schrijft niet voor dat iedere cliënt langs acht vaste stappen moet worden geleid. Het is een professioneel denk- en behandelkader.
Soms is de actuele hulpvraag op dat moment het belangrijkst. Tijdens een andere sessie vraagt de lichamelijke toestand veel aandacht. Op een ander moment blijkt juist de therapeutische relatie de belangrijkste ingang.
De therapeut leert schakelen en tegelijk het geheel in beeld houden.
Van waarneming naar interventie
LHT bestaat daarom uit meer dan het toepassen van lichaamsgerichte technieken.
Voor iedere interventie moet de therapeut een professionele afweging kunnen maken.
Binnen Bellein verloopt dat cyclisch:
waarnemen → onderscheiden → een werkhypothese vormen → toetsen → draagkracht en therapeutisch doel afwegen → handelen → integreren → evalueren en psycho educatie
Stel dat Floor vertelt dat het haar het geen probleem vindt om aan te geven wat ze nodig heeft. Maar wanneer ze wordt gevraagd vanuit kwetsbaarheid te bewegen in plaats vanuit een rol, pantsert ze onbewust delen in haar lichaam. De therapeut ziet dat. Dat is de waarneming.
Vervolgens houdt zij verschillende verklaringen open. Misschien voelt Floor spanning. Misschien wordt ze boos. Misschien merkt ze de verandering in haar lichaam nauwelijks.
De therapeut kan zeggen:
“Terwijl je hierover vertelt merk ik dat je ogen veranderen en je schouders wat meer naar binnen vallen. Wat merk jij zelf?”
Floor kan niets voelen. Ze kan plots spanning in haar borstkas opmerken. Ze kan geïrriteerd raken omdat de therapeut volgens haar overal iets achter zoekt.
Al deze reacties geven nieuwe informatie.
De volgende interventie hangt af van wat er daadwerkelijk gebeurt.
De therapeut kan vertragen. Zij kan verder praten. Zij kan Floor uitnodigen een specifieke beweging te maken, meer ruimte aan een impuls te geven of onderzoeken wat er tussen hen gebeurt.
Na de interventie wordt opnieuw gekeken.
- Wat veranderde?
- Is Floor nu meer in contact met haar werkelijke gevoel?
- Is er meer helderheid?
- Raakte ze juist verder verwijderd van zichzelf?
- Klopt de werkhypothese nog?
- Wat mag worden geïntegreerd of uitgelegd voordat de sessie verdergaat?
Dat proces van voortdurend waarnemen en bijstellen is kenmerkend voor de professionele toepassing van LHW binnen therapie.
Welke interventies kunnen binnen LHT worden gebruikt?
LHT is geen protocol waarin dezelfde oefening bij dezelfde klacht hoort.
De therapeut kiest een interventie op basis van hulpvraag, werkhypothese, draagkracht, therapeutisch doel en wat er op dat moment gebeurt. Een sessie kan daarom heel verschillend verlopen.
De therapeut kan werken met lichaamsbewustzijn en interoceptie: nauwkeuriger leren ervaren wat zich lichamelijk afspeelt.
- Adem kan worden gevolgd of onderzocht wanneer veranderingen daarin relevante informatie geven.
- Houding en beweging kunnen worden gebruikt om te onderzoeken wat iemand doet, tegenhoudt of juist nodig heeft.
- Een impuls om te duwen, reiken, weg te bewegen, vasthouden of loslaten kan worden gevolgd wanneer dat therapeutisch passend is.
- Er kan gewerkt worden met stem, klank, expressie, spiertonus, steun, balans en beweging.
- Gronding kan aandacht krijgen wanneer iemand moeite heeft aanwezig te blijven in zichzelf of in contact.
Soms wordt een relationele oefening ingezet. Een cliënt spreekt bijvoorbeeld een grens uit en onderzoekt wat er gebeurt wanneer de therapeut aanwezig blijft.
Ook gesprek, betekenisgeving, reflectie en psycho-educatie blijven belangrijk. Een lichamelijke ervaring wordt uiteindelijk verbonden met wat iemand over zichzelf, zijn relaties en zijn leven leert.
Binnen sessies wordt aanraking gebruikt. Dat gebeurt uitsluitend wanneer er een helder therapeutisch doel is, de therapeut daarin deskundig is en de cliënt daar vrij en expliciet mee instemt.
De cliënt moet zijn toestemming op ieder moment kunnen veranderen.
Integratieve voltooiing
Soms wordt in een therapeutisch proces een emotionele of lichamelijke beweging voelbaar die eerder moest worden onderbroken.
- Iemand voelt voor het eerst duidelijk een ‘nee’ die hij vroeger niet kon uitspreken.
- Er ontstaat een impuls om afstand te maken.
- Verdriet dat steeds werd afgebroken kan verder worden ervaren.
- Een cliënt merkt hoeveel kracht er beschikbaar komt wanneer hij zichzelf toestaat te duwen.
Bellein gebruikt hiervoor, wanneer zo'n proces aan de orde is, het begrip integratieve voltooiing.
Integratieve voltooiing is het relationeel gedragen proces waarin een cliënt een gestagneerde emotionele beweging alsnog kan afmaken, waardoor oude overtuigingen of scripts hun dwingende vanzelfsprekendheid kunnen verliezen en de keuzevrijheid in gedrag kan toenemen.
De nadruk ligt op integratie. Een krachtige lichamelijke ontlading is op zichzelf geen bewijs dat iets therapeutisch is veranderd. Belangrijker is wat iemand tijdens en na de ervaring kan dragen en begrijpen.
- Kan hij aanwezig blijven?
- Kan hij in contact blijven?
- Kan hij zijn kracht voelen zonder zichzelf kwijt te raken?
- Verandert er iets in de betekenis die hij aan zichzelf of de relatie geeft?
- Is er daarna meer keuze beschikbaar in het gewone leven?
Sommige processen vragen helemaal geen intensieve voltooiing. De therapeut volgt wat deze cliënt werkelijk nodig heeft en aan kan.
Wat is het doel van LHT?
Het doel van LHT is uiteindelijk groter dan het oproepen van lichamelijke ervaringen.
Therapie moet bijdragen aan meer vrijheid in hoe iemand met zichzelf, anderen en zijn leven kan omgaan.
Dat kan betekenen dat .....
- iemand zijn grens eerder herkent en hem kan uitspreken.
- hij steun kan ontvangen.
- hij boosheid kan ervaren zonder onmiddellijk te beschadigen of te verdwijnen.
- nabijheid mogelijk wordt zonder zichzelf te verliezen.
- hij oude bescherming leert herkennen en meer kan kiezen wanneer die bescherming vandaag niet meer nodig is.
- hij beter kan verdragen wat hij voelt en sneller merkt wanneer iets te veel wordt.
- hij meer contact krijgt met verlangen, levendigheid, kracht, verdriet, kwetsbaarheid en eigen richting.
De vorm van verandering verschilt per persoon.
Het uitgangspunt blijft dat een cliënt uiteindelijk meer mogelijkheden krijgt om bewust te handelen in plaats van steeds opnieuw door dezelfde automatische reactie te worden gestuurd.
Waarop is LHT gebaseerd?
Lichaamsgerichte Hechtingstherapie gebruikt de kennisbasis van Lichaamsgericht Hechtingswerk.
Daarin komen verschillende soorten kennis samen.
Hechtingsonderzoek, delen van de ontwikkelingspsychologie, onderzoek naar therapeutische alliantie, interoceptie en verschillende aspecten van emotie- en stressregulatie beschikken over een empirische onderzoekstraditie.
Psychodynamische en relationele theorie leveren kaders rond afweer, onbewuste processen, overdracht, tegenoverdracht en relationele herhaling.
Uit de lichaamsgerichte tradities van Wilhelm Reich en Alexander Lowen komen onder andere karaktertheorie, musculaire bescherming, gronding, motiliteit, beweging, expressie en energetische concepten.
Core Energetica en padwerk hebben invloed op het denken over innerlijke lagen en menselijke ontwikkeling.
Hedendaagse lichaamsgerichte traumabenaderingen zoals Sensorimotor Psychotherapy en Somatic Experiencing hebben het vakgebied verder ontwikkeld rond lichamelijke gewaarwording, traumareacties, beschermingsimpulsen, dosering en draagkracht.
Bellein integreert daarnaast kennis over het musculoskeletale lichaam, autonome regulatie, hechting, filosofische persoonsvorming en de therapeutische relatie.
Deze bronnen hebben verschillende wetenschappelijke statussen.
Bellein maakt onderscheid tussen empirisch onderzochte kennis, theoretische modellen, klinische en practice-based tradities en eigen professionele integratie.
Hoe verschilt LHT van andere lichaamsgerichte therapievormen?
LHT heeft duidelijke verwantschap met andere lichaamsgerichte en relationele therapievormen.
Bio energetica heeft belangrijke invloed via Reich en Lowen en werkt onder meer met karakter, lichaam, spanning, beweging, gronding, motiliteit, energie en expressie.
Sensorimotor Psychotherapy betrekt lichamelijke ervaring nadrukkelijk bij trauma en ontwikkelings- en hechtingsthema's.
Somatic Experiencing werkt sterk met lichamelijke sensaties, autonome reacties, dosering en beschermingsimpulsen.
Psychodynamische en hechtingsgerichte therapieën leveren belangrijke kennis over vroege relaties, afweer, overdracht, tegenoverdracht en actuele relationele patronen.
LHT gebruikt kennis uit deze bredere vakgebieden en ordent die binnen het Bellein-kader.
Kenmerkend is de voortdurende combinatie van lichamelijke waarneming, hechting, karakter en bescherming, trauma en draagkracht, therapeutische relatie, reactie van de therapeut en professionele context.
Daarbij wordt steeds gewerkt vanuit werkhypothesen die opnieuw aan de cliënt en het proces worden getoetst.
Voor wie kan Lichaamsgerichte Hechtingstherapie relevant zijn?
LHT kan relevant zijn voor mensen die merken dat terugkerende patronen zich moeilijk laten veranderen door inzicht alleen.
Dat kan bijvoorbeeld spelen rond grenzen, aanpassen, autonomie, afhankelijkheid, boosheid, schaamte, intimiteit, steun ontvangen, zelfbeeld of terugkerende moeilijkheden in relaties.
Ook mensen die merken dat lichamelijke reacties een belangrijke rol spelen in hun klachten of relationele patronen kunnen belangstelling hebben voor een lichaamsgerichte benadering.
Of LHT bij een individuele cliënt daadwerkelijk passend is, vraagt altijd een professionele beoordeling.
De hulpvraag, ernst en aard van de problematiek, draagkracht, eventuele diagnoses, lopende behandelingen en deskundigheid van de therapeut moeten daarbij worden meegewogen.
Wie mag zich Lichaamsgericht Hechtingstherapeut noemen?
Bellein Academie leidt professionals op tot Lichaamsgericht Hechtingstherapeut volgens het eigen beroeps- en opleidingskader.
De titel psychotherapeut heeft in Nederland een andere juridische betekenis. Dit is een wettelijk beschermde BIG-beroepstitel.
Een diploma Lichaamsgericht Hechtingstherapeut van Bellein Academie verleent geen BIG-registratie als psychotherapeut.
Professionals die al een andere beroepskwalificatie hebben, blijven werken binnen de bevoegdheden, professionele standaarden en wettelijke kaders die bij hun eigen beroep horen.
LHT leren of ervaren
Wil je eerst begrijpen vanuit welk bredere kader Lichaamsgerichte Hechtingstherapie wordt toegepast? Lees dan verder bij Wat is Lichaamsgericht Hechtingswerk?
Wie het werk eerst zelf wil ervaren kan kennismaken met Bellein tijdens een kennismakingsworkshop of via een themadag.
Wie professioneel wil leren werken met Lichaamsgericht Hechtingswerk kan meer lezen over de vierjarige beroepsopleiding tot Lichaamsgericht Hechtingstherapeut.
Voor ervaren therapeuten en andere professionals in het zorg- en therapeutische werkveld is er eventueel een verkorte beroepsopleiding tot lichaamsgericht hechtingstherapeut. Zie daarvoor de voorwaarden.









