
De stille rekensom: “Zie je wel wat ik doe?”
De stille rekensom: “Zie je wel wat ik doe?”
Altijd je best doen en het gevoel niet gezien te worden
Er bestaat een soort liefde die altijd klaarstaat. Die alvast de thee zet, het gesprek soepel houdt, de scherpe randjes opvangt, de agenda in het hoofd bijwerkt. Van buiten lijkt het moeiteloos. Van binnen kan het voelen alsof je op je tenen leeft, wachtend op één blik die zegt: ik zie je.
En daar gaat dit artikel over. Over dat moment waarop je niet alleen geeft omdat je gul bent, maar ook omdat je ergens hoopt dat het landt. Dat iemand het opmerkt. Dat het telt. Vaak zonder dat je je daar echt bewust van bent, omdat het inmiddels zo vertrouwd is geworden.
De onzichtbare rekensom
Je ziet het niet als iets “bijzonders”, juist omdat het zo gewoon lijkt. Het zit vaak in mensen die het ogenschijnlijk simpelweg goed doen. Die op tijd zijn. Die veel regelen. Die aanvoelen wat er nodig is. Die alvast aan de details denken waar anderen later pas bij stilstaan. En als je er van dichtbij naar kijkt, is het bijna niet te onderscheiden van attentheid. Het lijkt op zorgzaamheid. Op betrokkenheid. Op een warm hart dat meebeweegt. Op “gewoon een fijn mens zijn”.
Tot je op een dag merkt dat het geven niet meer licht voelt.
Niet ineens, niet dramatisch. Meer alsof er iets mee gaat lopen, heel subtiel. Een onzichtbare rekensom. Niet hard, niet bewust, maar wel aanwezig. Dat je niet alleen helpt, maar ook een beetje hoopt dat de ander jou dan ook helpt. Dat je niet alleen begrijpt, maar ook wacht op begrip. Dat je niet alleen draagt, maar stiekem verlangt dat iemand eindelijk zegt: kom maar, ik ben er nu even voor jou.
De verwarring
Ik kom dit vaak tegen in sessies. Niet als een grote bekentenis, maar als een zinnetje dat er tussendoor glipt. Iemand vertelt over haar week, over alles wat ze gedaan heeft, en zegt dan ineens: “Ja… als ik het niet doe, doet niemand het. Iemand moet het toch doen.” En dan, iets zachter: “Maar soms valt het me wel tegen van de anderen dat zij het niet een keer doen.”
Op dat soort momenten wordt het helder. Er wordt wél geteld. Alleen niet met het hoofd. Met het lichaam.
Laatst zei een cliënt tegen me, bijna terloops:
“Het is niet dat ik applaus nodig heb… Ik kan echt veel hebben. Ik ben ook begripvol. Maar soms hoop ik gewoon dat hij ziet hoe ik mijn best doe.”
Ze glimlachte erbij, een beetje verontschuldigend. Alsof ze meteen dacht: Mag ik dit wel zeggen? Is dit niet raar? Alsof ze zichzelf al wilde corrigeren voordat iemand anders dat kon doen.
En daar zit precies de verwarring. Aan de buitenkant lijkt het namelijk heel logisch wat ze doet. Het voelt als: ik doe toch gewoon wat nodig is? Ik ben toch gewoon liefdevol? Ik ben toch gewoon loyaal? Alleen… dat stille hopen op die ene blik, dat ene zinnetje waardoor je je gezien voelt, laat zien dat er meer meespeelt dan “gewoon zorgzaam zijn”. Dat het geven soms óók iets probeert veilig te stellen.
Er is een verschil.
Er is geven dat stroomt.
En er is geven dat duwt.
Je herkent dat duwen vaak pas achteraf. Aan hoe je nét iets harder gaat werken als je je onzeker voelt. Aan hoe je nóg liever wordt als je bang bent voor afstand. Aan hoe je jezelf hoort zeggen: “Laat maar, ik doe het wel.” En dat je dan ondertussen hoopt dat de ander het eindelijk doorheeft. Let wel: je bent je hier vaak totaal niet van bewust!
Sommige mensen merken het aan irritatie die ineens opkomt om iets kleins. Een vaatwasser. Een afspraak. Een vergeten boodschap. En eigenlijk gaat het niet over die vaatwasser. Het gaat over dat oude gevoel: ik ben blijkbaar niet de moeite waard om vanzelf gezien te worden.
Onder dat extra geven zit vaak een stille zin die je bijna nooit hardop zegt:
Zie jij wel hoe hard ik mijn best doe?
En als je helemaal naar de bodem zakt, wordt die zin nóg eerlijker. Niet mooier. Wel waarachtiger:
Als mijn inzet niet gezien wordt, voel ik me onbemind en ongezien.
Alsof ik niet meetel. Alsof ik het niet waard ben.
De kindovertuiging
Daar zit de kindlaag. Daar waar het niet meer gaat over “een complimentje”, maar over bestaansrecht. Over die oude hoop: als ik maar lief genoeg ben, goed genoeg, nuttig genoeg… dan word ik vastgehouden, dan krijg ik liefde, dan ben ik de moeite waard.
En precies daarom kan geven, zonder dat je het zo bedoelt, een ruilmiddel worden. Niet cynisch. Niet berekenend. Eerder wanhopig netjes. Liefde proberen veilig te stellen via inzet. Je ziet het in kleine dingen: extra appjes, extra aandacht, extra begrip, extra draagkracht. En ondertussen een stille wens dat de ander het eindelijk teruggeeft in de vorm van erkenning, zodat je even kunt ontspannen: zie je wel… ik doe ertoe of zeg mij dat ik niet schuldig ben of bewijs mij dat ik een goed mens bent.
Wat me raakt, is hoe vaak mensen de oplossing zoeken in nóg beter hun best doen. Alsof ze vanbinnen roepen: zie me dan! Dat kan een tijd werken, maar meestal stapelt het op. Tot de ergernis groter wordt en het verwijt op tafel ligt: “Zie je eigenlijk wel wat ik allemaal doe?”
De gezonde beweging
Daarom is de gezonde beweging bijna altijd: stoppen met ruilen. Niet stoppen met liefhebben, maar stoppen met geven als ruilmiddel. En durven erkennen wat je eigenlijk nodig hebt, vóór het zich ophoopt.
Dat kan al met één simpele, kwetsbare zin:
“Ik verlang ernaar dat je me ziet.”
Dat voelt spannend, en dat is het ook. Maar het is helder. Geen verwijt, eerder een opening.
Soms oefenen we met zinnen die die rekensom uit het systeem halen. Zinnen die niet uit bewijsdrang komen, maar uit waarheid. Bijvoorbeeld:
- “Ik merk dat ik extra ga geven als ik me onzeker voel. Ik wil daarmee stoppen.”
- “Als je niet reageert, ga ik harder mijn best doen. En eigenlijk verlang ik naar nabijheid, niet naar nog een takenlijst.”
- “Wil je me even zeggen wat je wél ziet? Dat helpt me.”
Veel mensen vinden dit gênant om te zeggen. Te direct. Te behoeftig. Te kwetsbaar. Maar die kwetsbaarheid is vaak precies de plek waar de ontspanning begint. Niet omdat de ander het perfect moet doen, maar omdat jij jezelf niet meer hoeft te verstoppen achter hard werken.
De tweede beweging
En er is nog een tweede beweging, die minstens zo belangrijk is. Soms is erkenning vragen niet genoeg. Soms vraagt het leven iets anders: dat je stopt met geven waar je leegloopt. Dat je je eigen grens serieus neemt, ook als niemand klapt. Dat je even níét degene bent die alles opvangt.
Niet om hard te worden. Maar om eerlijk te worden naar jezelf toe.
Misschien kun je deze week eens een klein experiment doen. Geen groot gesprek. Gewoon een mini-moment. Als je merkt dat je automatisch extra gaat geven, stel jezelf dan één vraag:
Doe ik dit uit liefde… of uit hoop?
En als het “uit hoop” is, kijk dan of je één adem kunt vertragen. Eén seconde. Soms is dat al genoeg om een andere keuze mogelijk te maken: ofwel iets niet doen, ofwel iets wél zeggen.
Je hoeft niet te stoppen met zorgzaam zijn.
Je hoeft alleen niet meer te zorgen om gerustgesteld te worden.
Zo ben ik nu eenmaal?
Ik schrijf deze reeks omdat ik dit zó vaak, bijna onzichtbaar, zie meebewegen in wat cliënten vertellen. Het gaat zelden over één groot moment. Het zit in de vanzelfsprekendheid van hun reacties. En dan hoor ik hoe makkelijk we onze patronen verwarren met: “zo ben ik nu eenmaal.”
Terwijl die patronen meestal iets anders zijn: een oud verhaal dat ooit logisch was. Een manier waarop je als kind hebt geleerd om liefde, veiligheid of erkenning dichtbij te houden. En ja, daaronder leeft vaak een angst die je niet elke dag wilt voelen, maar die jouw gedrag wel mee stuurt.
Het hoopvolle is: zodra je het durft te zien, ontstaat er ruimte. Dan ben je niet meer je patroon. Dan krijg je keuze. En daarmee komt er iets nieuws in beeld.
De volgende keer
Volgende keer vertel ik weer over een ander stil mechanisme dat zich vaak verstopt achter woorden.
Voor nu: als jij degene bent die altijd je best doet… ik hoop dat je vandaag óók even jouw inzet ziet. En als het kan: dat je er rechtstreeks om durft te vragen.
Wees liefdevol naar jezelf, heb geduld, met liefs,
Marjolein
PS. Stel jezelf eens de vraag: Wie ben ik als ik stop met geven? Als je wilt, mail me gerust wat er bij je opkomt.










