
Fawning: je agressor pleasen als overlevingsstrategie
Fawning
Over de overlevingsreactie waarbij je je agressor tegemoetkomt, en waarom dat niets zegt over zwakte maar alles over overleven.
Sommige mensen vechten niet terug, lopen niet weg en bevriezen niet zichtbaar, maar gaan sussen, aanpassen en pleasen. In deze blog lees je hoe fawning ontstaat, waarom je je agressor tegemoet kunt blijven komen en hoe herstel begint bij het herkennen van deze oude overlevingsreactie.
Wanneer pleasen ooit veiligheid was
Een cliënt zei laatst tegen mij:
“Als iemand boos wordt, voel ik meteen wat ik moet doen om het weer rustig te krijgen. Ik ben daar zó snel in, dat ik pas veel later merk dat ik opnieuw over mezelf heen ben gegaan.”
Dat is vaak precies wat fawning is; razendsnel aanvoelen waar het gevaar zit, en je vervolgens zo bewegen dat het gevaar hopelijk afneemt.
In de traumaliteratuur wordt fawning beschreven als een reactie waarbij iemand gevaar probeert te bezweren door zich aan te passen, te pleasen, te sussen of zich ondergeschikt te maken. Het wordt vaak genoemd als een vierde stressreactie naast vechten, vluchten en bevriezen. De term is sterk verbonden met het werk van psychotherapeut Pete Walker, die deze reactie beschrijft in relatie tot chronische onveiligheid en complex trauma.
Van buitenaf ziet dat er lang niet altijd uit als angst. Integendeel. Veel mensen die fawnen komen vriendelijk, afgestemd, invoelend en meegaand over. Ze voelen de stemming in een ruimte snel aan, kunnen vooruitlopen op behoeften van anderen en lijken conflict moeiteloos te voorkomen. Alleen zit daar aan de binnenkant vaak een heel andere beweging onder: alertheid, spanning, schuldgevoel, zelfverlies en de haast om de ander tevreden te houden voordat er iets misgaat.
Wanneer aanpassen je veilig hield
Een kind dat opgroeit met een onvoorspelbare, krenkende of agressieve ouder heeft zelden echte keuzevrijheid. Terugvechten kan gevaarlijk zijn. Weglopen is vaak onmogelijk. Verstijven gebeurt soms, maar helpt niet altijd. Dan leert een kind iets anders: ik moet aanvoelen wat de ander nodig heeft, ik moet zorgen dat het niet escaleert, ik moet mezelf kleiner maken zodat ik veilig blijf.
Onderzoekers beschrijven appeasement als een natuurlijke reactie die kan ontstaan wanneer iemand zich klemgezet, afhankelijk of bedreigd voelt. De persoon die zich bedreigt voelt vertoontgedrag waarbij hij toegeeft, zich aanpast of de ander tegemoetkomt om agressie, afwijzing of spanning te verminderen
In onderzoek naar appeasement wordt dat ook beschreven als een overlevingsstrategie die kan ontstaan bij gevangenschap, afhankelijkheid of vastzitten in een bedreigende situatie zoals bij huiselijk geweld.
Dat is belangrijk om goed te begrijpen, omdat veel mensen later streng naar zichzelf kijken. Ze schamen zich dat ze niet harder waren, niet duidelijker, niet bozer, niet meer opkwamen voor zichzelf. Maar een zenuwstelsel dat heeft geleerd dat protest gevaar vergroot, kiest niet voor waardigheid in de abstracte zin. Het kiest voor behoud. Voor schade beperken. Voor de route die ooit het meeste kans gaf om er zonder al te veel kleerscheuren doorheen te komen. Dat is geen karakterfout. Dat is een oude intelligentie.
Je agressor pleasen is geen vrije keuze
Dat is misschien wel het pijnlijkste deel van dit onderwerp. Mensen schamen zich vaak niet alleen voor hun angst, maar ook voor hun gerichtheid op degene die hen pijn doet. Ze zeggen dingen als:
- “Waarom wil ik nog dat hij me aardig vindt?”
- “Waarom blijf ik hem begrijpen?”
- “Waarom voel ik me schuldig als ík afstand neem?”
- “Waarom ben ik bezig met zijn stemming terwijl hij degene is die over mijn grens ging?”
Omdat het systeem dat ooit nodig had.
Wie onder dreiging gaat pleasen, kiest niet vrij en ruim. Het lichaam en brein schakelen over op een automatische overlevingsreactie. Organisaties die werken met traumareacties beschrijven fight, flight, freeze en fawn dan ook als instinctieve reacties van het zenuwstelsel, geen bewuste morele keuzes. Vanuit dat perspectief is fawning dus niet hetzelfde als instemming, maar een poging om gevaar, afwijzing of escalatie te verkleinen.
Daarom zie je bij fawning zo vaak verwarring achteraf. Op het moment zelf voelt iemand vooral de noodzaak om het contact te herstellen, de spanning te dempen of de ander gunstig te stemmen. Pas later komt de schok: waarom heb ik niets gezegd, waarom lachte ik mee, waarom maakte ik het zelfs voor hém nog begrijpelijk?
Hoe je fawning later in je leven herkent
In mijn spreekkamer ziet fawning er zelden spectaculair uit. Het zit vaak juist in de kleine dingen, in minieme verschuivingen die zo gewoon zijn geworden dat iemand ze amper nog opmerkt.
- Iemand zegt te snel ja, terwijl er van binnen al twijfel was;
- Iemand biedt direct excuses aan, nog vóór er helder is of er werkelijk iets misging;
- Iemand vertelt een pijnlijk verhaal met een glimlach, alsof de ernst anders te groot wordt;
- Iemand voelt haar eigen boosheid pas uren later, wanneer het gesprek al lang voorbij is of maakt nauwelijks tot geen contact met haar boosheid;
- Iemand is voortdurend bezig met de vraag hoe iets bij de ander is gevallen, maar weet nauwelijks wat zijzelf eigenlijk voelde;
- Iemand blijft opmerkelijk mild naar een kwetsende partner, maar wordt hard voor zichzelf zodra hij behoefte heeft aan ruimte of een grens.
Dat zijn geen losse toevalligheden. Het zijn vaak sporen van een oud patroon waarin verbonden blijven belangrijker werd dan eerlijk aanwezig zijn. Niet omdat eerlijkheid onbelangrijk was, maar omdat veiligheid eerst kwam.
De tragiek van de “lieve” mens
Wat ik vaak zie, is dat fawning jarenlang wordt beloond door de buitenwereld. De omgeving noemt iemand zorgzaam, loyaal, empathisch, makkelijk, sterk in afstemmen. En natuurlijk kunnen die kwaliteiten er óók echt zijn. Alleen lopen ze bij getraumatiseerde mensen soms ongemerkt door elkaar met angst.
Dan wordt afgestemdheid vermengd met zelfverlating.
Dan wordt zachtheid vermengd met inslikken.
Dan wordt begrip vermengd met het voortdurend relativeren van je eigen pijn.
Dan wordt loyaliteit vermengd met het niet meer serieus nemen van wat iets met jou doet.
De buitenkant oogt sociaal vaardig. De binnenkant betaalt de rekening.
Wat er onder ligt
Onder fawning ligt vaak een diepe overtuiging dat contact alleen veilig blijft als jij goed afstemt, weinig vraagt, niet te lastig bent en vooral voorkomt dat de ander ontregeld raakt. Dat kan zich uiten als angst voor boosheid, maar net zo goed als angst voor teleurstelling, afwijzing, kilte, terugtrekking of schuld. Het gevaar hoeft later niet meer zo groot te zijn als vroeger. Het systeem reageert vaak al op de suggestie ervan.
Daarom is herstel niet simpelweg leren “meer voor jezelf op te komen”. Dat klinkt stoer, maar raakt de kern niet. De kern is dat iemand van binnen moet gaan ervaren: ik besta ook als de ander teleurgesteld is. Ik ben niet verkeerd zodra iemand fronst. Ik hoef geen vrede te kopen met mezelf als betaalmiddel. Ik mag spanning voelen zonder meteen mijn eigen waarheid in te leveren.
Wat ik belangrijk vind
Wanneer ik met iemand werk die veel fawnt, probeer ik dat patroon nooit neer te zetten als zwakte of afhankelijkheid. Ik zie meestal iets anders: een mens die ooit briljant heeft leren overleven in een onveilige relatie.
Dat vraagt om respect. Ook al is het patroon later beperkend geworden.
Want als je fawning te hard aanpakt, gebeurt er vaak iets wrangs. Dan gaat iemand ook zijn herstel nog gebruiken om te pleasen. Dan moet hij ineens “beter grenzen stellen”, “eerlijker zijn”, “niet meer zo people pleasen”, en wordt het volgende project opnieuw een manier om aan verwachtingen te voldoen. Het oude patroon trekt dan een nieuw jasje aan.
Herstel begint dus meestal rustiger.
Eerst bij het leren opmerken.
Daarna bij het leren verdragen dat je iets anders voelt dan je direct laat zien.
Vervolgens bij het oefenen met kleine waarheden, in kleine momenten.
Niet groots en heldhaftig. Eerder menselijk en precies.
- “Eigenlijk wil ik daar nog even over nadenken.”
- “Dat voelt voor mij niet goed.”
- “Ik hoor dat jij teleurgesteld bent, maar ik kan dit niet geven.”
- “Ik merk dat ik nu ja wil zeggen om de spanning weg te krijgen.”
Dat laatste is vaak een kantelpunt. Zodra iemand het patroon tijdens het moment zelf begint te herkennen, komt er ruimte. Nog geen vrijheid in volle glorie, maar wel de deur op een kier.
De beweging terug naar jezelf
De diepste wond onder fawning is vaak niet alleen angst, maar zelfverlating. Je hebt jezelf zo vaak verlaten om de relatie te redden, dat je later niet eens meer direct merkt wanneer je dat opnieuw doet.
De weg terug vraagt daarom niet alleen begrenzen, maar ook rouw. Rouw om hoeveel afgestemdheid er nodig was. Rouw om hoeveel van jezelf je moest inhouden. Rouw om het feit dat jouw veiligheid ooit afhing van hoe goed jij de ander kon lezen.
Pas daarna wordt iets nieuws mogelijk.
Dan verschuift de vraag langzaam van:
Hoe houd ik de ander rustig?
naar:
Wat is hier waar voor mij?
En dat is een ingrijpende beweging. Geen spectaculaire. Geen theatrale. Wel een die het leven van binnenuit verandert.
Want wie niet langer hoeft te overleven via pleasen, hoeft ook niet langer te hopen dat veiligheid van buitenaf wordt uitgedeeld. Dan kan er iets groeien wat steviger is dan aanpassing: aanwezigheid, eigenheid en contact waarin je niet meer hoeft te verdwijnen om verbonden te blijven.
Professionele begeleiding
Herken je jezelf in fawning? Wil je er in begeleid worden en meer zicht krijgen op jouw manier van omgaan met gevoeld gevaar? Neem dan contact op met een van onze lichaamsgerichte hechtingstherapeuten.
We zijn er voor je.
Lees hier meer over soortgelijke onderwerpen










