Trauma en het lichaam: wat gebeurt er na een overweldigende ervaring?

Een ingrijpende ervaring kan voorbij zijn terwijl iemand lichamelijk nog reageert alsof het gevaar ieder moment opnieuw kan ontstaan.

Iemand schrikt buitengewoon sterk wanneer hij onverwacht wordt aangeraakt.

Een bepaalde toon in de stem van zijn partner is voldoende om hem onmiddellijk op zijn hoede te maken, terwijl hij tegelijkertijd weet dat er op dat moment niets gevaarlijks gebeurt. Een ander wordt 's nachts wakker met een bonzend hart zonder te begrijpen waarom zijn lichaam zo reageert.

Trauma kan zich ook veel stiller laten zien. Tijdens een moeilijk gesprek merkt iemand dat hij steeds minder voelt. Hij hoort wat de ander zegt en kan zelfs antwoord geven, terwijl het contact met zijn eigen lichaam langzaam verdwijnt. Achteraf weet hij soms nauwelijks wat hem zo geraakt heeft.

Zulke ervaringen helpen begrijpen waarom trauma ook lichamelijk moet worden bekeken. Wat iemand heeft meegemaakt, kan invloed houden op de manier waarop zijn organisme later gevaar herkent. Daardoor kan een reactie al op gang komen voordat iemand bewust heeft kunnen beoordelen wat er in het huidige moment gebeurt.

Psychiater en traumaonderzoeker Bessel van der Kolk heeft er gedurende tientallen jaren veel aan bijgedragen dat deze lichamelijke en zintuiglijke kant van traumatische stress serieus wordt genomen. In 2026 benadrukte hij samen met traumapsychiater Alexander McFarlane opnieuw dat problemen in de verwerking van lichamelijke en zintuiglijke informatie een wezenlijk onderdeel van PTSS kunnen vormen.

Het werk van kinderpsychiater en neurowetenschapper Bruce Perry vult dat perspectief op een belangrijke manier aan. Perry heeft vooral onderzocht wat er gebeurt wanneer dreiging en verwaarlozing plaatsvinden terwijl een kind zich nog ontwikkelt. Zijn uitgangspunt is dat een jong brein voortdurend wordt gevormd door wat het herhaaldelijk meemaakt. Dezelfde plasticiteit waardoor een kind taal leert en zich aan zijn omgeving aanpast, maakt het ook gevoelig voor langdurige ervaringen van angst, onvoorspelbaarheid of gebrek aan zorg.

Van der Kolk helpt daarmee begrijpen waarom het lichaam na trauma kan blijven reageren. Perry voegt de vraag toe hoe zo'n manier van reageren gedurende de ontwikkeling is ontstaan.

Wat bedoelen we eigenlijk met trauma?

Het woord trauma wordt in het dagelijks leven vaak gebruikt voor een gebeurtenis die buitengewoon pijnlijk of schokkend was. Binnen de diagnostiek wordt preciezer gekeken naar wat er na zo'n gebeurtenis met iemand gebeurt.

Dat onderscheid is belangrijk. Twee mensen kunnen iets vergelijkbaars meemaken en daarna heel verschillend verdergaan. De ene persoon hervindt na verloop van tijd zijn gewone functioneren. Bij de andere blijven reacties aanwezig die steeds opnieuw in het dagelijks leven ingrijpen.

Bij PTSS kan de gebeurtenis zich ongewild blijven opdringen. Iemand wordt geconfronteerd met herinneringen die hij zelf niet oproept en gaat vervolgens misschien plaatsen of situaties vermijden die daarmee verbonden zijn. Tegelijk kan het gevoel blijven bestaan dat dreiging nog steeds dichtbij is.

De ICD-11 onderscheidt daarnaast complexe PTSS. Daarbij reiken de gevolgen verder dan het opnieuw beleven van een gebeurtenis. Iemand kan bijvoorbeeld grote moeite krijgen om zichzelf tot rust te brengen wanneer een emotie eenmaal sterk is geworden. Zijn kijk op zichzelf kan diepgaand veranderen. Wanneer de traumatisering juist plaatsvond binnen belangrijke relaties, kan ook nieuw contact met anderen beladen raken.

Perry maakt bij kinderen nog een ander onderscheid belangrijk. Een gebeurtenis vindt nooit plaats in een ontwikkelingsvacuüm. Voor een tweejarige die volledig afhankelijk is van een verzorger heeft verlies een andere betekenis dan voor een volwassene die zelfstandig kan handelen en een groot sociaal netwerk heeft. Het moment in de ontwikkeling waarop iets gebeurt, bepaalt mede welke mogelijkheden een kind op dat moment heeft om te begrijpen wat er gebeurt en zichzelf te beschermen.

De gebeurtenis alleen vertelt ons daarom onvoldoende over de latere gevolgen.

Bessel van der Kolk: wanneer het verleden lichamelijk actueel blijft

Lang voordat The Body Keeps the Score (Traumsporen) wereldwijd bekend werd, onderzocht Van der Kolk hoe mensen met PTSS lichamelijk op herinneringen aan traumatische gebeurtenissen kunnen reageren.

Een traumatische herinnering hoeft zich niet alleen als een gedachte of een verhaal aan te dienen. Een geluid kan plotseling een heftige reactie oproepen. Een aanraking kan voldoende zijn om onmiddellijk terug te deinzen. Een geur kan een gevoel van gevaar teweegbrengen voordat iemand begrijpt wat er gebeurt.

Daar ontstaat een opvallend verschil tussen weten en ervaren.

Iemand kan rationeel volledig begrijpen dat de oorspronkelijke situatie voorbij is. Toch reageert zijn lichaam alsof er onmiddellijk gehandeld moet worden.

Van der Kolk en McFarlane leggen in hun publicatie uit 2026 opnieuw nadruk op dit probleem. Mensen met PTSS kunnen moeite hebben met de manier waarop informatie uit hun omgeving en signalen vanuit hun eigen lichaam worden verwerkt. Daardoor kan een ervaring in het heden een veel grotere betekenis krijgen dan op grond van de actuele situatie verwacht zou worden.

Dat helpt verklaren waarom inzicht alleen soms weinig verandert aan een automatische lichamelijke reactie.

Lees verder: Waarom inzicht alleen niet genoeg is om te veranderen

Bruce Perry: trauma tijdens de ontwikkeling

Perry richt zich in The Boy Who Was Raised as a Dog (De jongen die opgroeide als hond) sterk op kinderen die al vroeg in hun leven met ernstige dreiging of verwaarlozing te maken kregen.

Zijn werk maakt duidelijk waarom vroeg trauma een andere betekenis kan hebben dan dezelfde ervaring op latere leeftijd.

Een baby of jong kind beschikt nog niet over de mogelijkheden waarmee een volwassene een ervaring kan begrijpen. Het kan zichzelf niet zelfstandig uit een gevaarlijke situatie halen. Het kan nog nauwelijks in woorden plaatsen wat het meemaakt en is voor bescherming afhankelijk van anderen.

Tegelijk ontwikkelt het zenuwstelsel zich juist in deze periode bijzonder snel.

Perry beschrijft hoe vroege ervaringen daardoor kunnen bijdragen aan de manier waarop systemen die met stress en dreiging omgaan zich ontwikkelen. Hij baseerde een deel van zijn denken op onderzoek waaruit bleek dat stress tijdens gevoelige ontwikkelingsperioden langdurige invloed kan hebben op biologische stressreacties.

Dat betekent niet dat een vroeg getraumatiseerd kind voor altijd vastligt.

Het betekent wel dat therapie rekening moet houden met ontwikkeling. Wat iemand op jonge leeftijd onvoldoende heeft kunnen opbouwen, kan later nog steeds aandacht vragen, ook wanneer die persoon inmiddels volwassen is.

Lees verder: Zenuwstelsel, stress en regulatie · Wetenschap en lichaamsgerichte therapie

Een brein leert van wat vaak gebeurt

Een van Perry's centrale ideeën is wat hij use-dependent development noemt. Het zenuwstelsel verandert onder invloed van herhaalde activiteit. Een verbinding die vaak wordt gebruikt, wordt gemakkelijker opnieuw geactiveerd. Dat principe ligt ten grondslag aan leren.

Een kind dat steeds opnieuw ervaart dat een ouder reageert wanneer het overstuur raakt, doet daar meer mee dan alleen op dat ene moment gekalmeerd worden. Door herhaling ontstaat geleidelijk een verwachting dat ontregeling gevolgd kan worden door herstel.

Een kind dat langdurig in een onvoorspelbare omgeving leeft, leert iets anders. Wanneer een stemmingsomslag van een ouder ieder moment gevaar kan betekenen, is het zinvol om voortdurend op kleine veranderingen te letten. Wie dat vaak genoeg moet doen, wordt daar steeds sneller in.

Perry beschrijft dit als een fundamentele eigenschap van neurale ontwikkeling: patronen die herhaaldelijk geactiveerd worden, beïnvloeden hoe het brein zich organiseert. Hij past dat principe ook toe op traumatische ontwikkeling.

Dat helpt een reactie begrijpen die later buitenproportioneel lijkt.

De volwassene die onmiddellijk registreert dat iemand geïrriteerd raakt, hoeft daar nooit bewust voor gekozen te hebben. Zijn systeem kan jarenlang geoefend zijn geraakt in precies dat soort waarneming.

Wat ooit een manier was om vroeg genoeg gevaar te herkennen, kan later actief blijven in omstandigheden waarin die waakzaamheid veel minder nodig is.

Stress is niet hetzelfde als trauma

Perry maakt ook duidelijk dat stress op zichzelf geen beschadigend verschijnsel is. Een mens heeft belasting nodig om zich te ontwikkelen.

Een kind dat iets nieuws probeert en even gefrustreerd raakt, maakt stress mee. Wanneer de uitdaging hanteerbaar is en er voldoende steun beschikbaar blijft, kan het kind ontdekken dat spanning weer afneemt. Daardoor leert het steeds meer verdragen.

Perry beschrijft hoe gematigde stress die voorspelbaar verloopt het vermogen om met latere belasting om te gaan juist kan vergroten.

De situatie verandert wanneer een ervaring de draagkracht ver overschrijdt. Vooral wanneer dreiging langdurig aanhoudt en iemand weinig invloed heeft op wat er gebeurt, krijgt het stresssysteem steeds opnieuw dezelfde boodschap: de omgeving is onveilig en het gevaar laat zich moeilijk voorspellen.

In The Boy Who Was Raised as a Dog zet Perry die twee ontwikkelingswegen duidelijk naast elkaar. Herhaalde, hanteerbare belasting kan flexibiliteit helpen ontwikkelen. Langdurige en extreme stress die een kind niet kan controleren kan het systeem juist steeds gevoeliger maken voor volgende dreiging.

Dit onderscheid is ook voor volwassen traumatherapie belangrijk. Het doel is niet iedere spanning uit therapie te verwijderen. Zonder enige spanning kan weinig nieuws worden geleerd. De vraag is of wat iemand ervaart voldoende hanteerbaar blijft om er daadwerkelijk iets mee te kunnen doen.

Waarom denken moeilijker wordt wanneer gevaar toeneemt

Perry beschrijft uitvoerig hoe de manier waarop iemand functioneert verandert wanneer hij zich bedreigd voelt.

In een rustige toestand kunnen we afstand nemen van wat er gebeurt. We kunnen verschillende mogelijkheden overwegen en nadenken over gevolgen.

Wanneer de dreiging stijgt, verschuift de aandacht.

Dat is heel functioneel. Iemand die onmiddellijk moet reageren op gevaar heeft weinig aan een uitvoerige analyse. Het lichaam moet sneller kunnen handelen.

Daardoor kan precies op het moment waarop iemand het meest overstuur raakt het vermogen om rustig na te denken tijdelijk veel minder toegankelijk worden. Perry beschrijft dat onder grote dreiging reacties steeds reflexmatiger kunnen worden.

Dat is therapeutisch relevant.

Een cliënt kan tijdens een rustig gesprek uitstekend begrijpen waarom hij zich anders zou willen gedragen. Zodra een conflict werkelijk ontstaat, blijkt die kennis ineens veel moeilijker bereikbaar.

Daaruit kun je niet concluderen dat hij onvoldoende gemotiveerd is of dat hij zijn inzicht niet heeft begrepen.

Zijn toestand is veranderd.

Daarom heeft het weinig zin iemand midden in sterke ontregeling uitsluitend meer uitleg te geven. Eerst moet hij voldoende terugkeren naar een toestand waarin die uitleg ook verwerkt kan worden.

Trauma kan iemand zeer alert maken

Wanneer gevaar vaak genoeg is voorgekomen, kan het systeem steeds gemakkelijker in alarm raken.

Perry beschrijft kinderen die in een klas nauwelijks lijken op te letten terwijl zij ondertussen uiterst scherp registreren hoe de leraar kijkt en klinkt. Hun aandacht is niet afwezig. Zij is gericht op informatie die hun brein belangrijker heeft leren vinden.

Bij een volwassene kan iets vergelijkbaars gebeuren.

Tijdens een overleg lijkt hij moeite te hebben zich op de inhoud te concentreren. Tegelijk merkt hij onmiddellijk dat een collega zucht of dat de stem van zijn leidinggevende verandert.

Wanneer zulke signalen vroeger voorspellend waren voor gevaar, kan het begrijpelijk zijn dat zijn aandacht daar nog steeds automatisch naartoe gaat.

Dit is een van Perry's belangrijke bijdragen aan traumagericht denken: gedrag dat oppervlakkig als probleemgedrag kan worden gezien, krijgt een andere betekenis wanneer je begrijpt waarop het systeem probeert te reageren.

Trauma kan er ook voor zorgen dat iemand minder voelt

Sterke alertheid is één mogelijke reactie.

Een ander mens raakt bij dreiging juist steeds verder verwijderd van zijn eigen ervaring.

Hij verstilt tijdens een gesprek. De omgeving lijkt minder werkelijk. Lichamelijke signalen worden moeilijker waarneembaar en soms ontstaat het gevoel van een afstand naar zichzelf te kijken.

Perry beschreef dit bij getraumatiseerde kinderen als een ander patroon waarmee het organisme overweldigend gevaar kan proberen te verdragen. In zijn klinische werk zag hij zowel kinderen die sterk geactiveerd bleven als kinderen die tijdens spanning steeds verder wegzakten uit contact.

Het latere onderzoek van Ruth Lanius heeft veel aan het begrip van dissociatie toegevoegd. Haar onderzoek laat zien dat mensen met PTSS daadwerkelijk verschillende patronen van regulatie kunnen vertonen. Sommige mensen raken gemakkelijk overspoeld. Bij anderen treedt juist sterke demping op.

Voor lichaamsgericht werk heeft dat directe consequenties.

Wanneer iemand zijn lichaam nauwelijks ervaart, kun je daaruit niet afleiden dat er weinig spanning is. Het kan betekenen dat de toegang tot lichamelijke ervaring afneemt zodra de spanning te groot wordt.

De therapeut moet dan eerst begrijpen wanneer dat gebeurt.

Wat bedoelen we wanneer we zeggen dat trauma in het lichaam zit?

De uitspraak dat trauma in het lichaam wordt opgeslagen vraagt om zorgvuldige uitleg.

Tijdens een zeer bedreigende ervaring bereidt het lichaam zich onmiddellijk voor om te overleven. Spieren kunnen krachtig aanspannen omdat iemand wil vluchten, zich wil beschermen of weerstand wil bieden. Ook kan iemand zich lichamelijk sterk inhouden wanneer bewegen, voelen of reageren op dat moment te overweldigend lijkt.

Zo'n contractie kan een beschermende functie krijgen. Door het lichaam op bepaalde plaatsen sterk vast te zetten kan iemand de ervaring als het ware begrenzen. Binnen lichaamsgerichte hechtingstherapie zien we geregeld dat iemand tijdens grote angst of schrik een bepaalde spiergroep aanspant en die spanning vervolgens veel langer blijft vasthouden dan de oorspronkelijke situatie duurt.

Bij sommige mensen wordt zo'n patroon zo vertrouwd dat zij zich er nauwelijks meer bewust van zijn. De spanning voelt dan niet langer als aanspannen. Het is eenvoudig geworden tot de manier waarop hun lichaam zich organiseert.

Bruce Perry helpt begrijpen hoe zoiets kan ontstaan. Het zenuwstelsel verandert door herhaalde ervaring. Wanneer een bepaald patroon steeds opnieuw wordt gebruikt om met spanning om te gaan, wordt dat patroon gemakkelijker opnieuw toegankelijk. Het lichaam leert als het ware welke organisatie in een bedreigende situatie eerder bruikbaar was.

Binnen het lichaamsgericht hechtingswerk spreken we bij zo'n langdurig vastgehouden patroon soms over een blokkade. Daarmee bedoelen we geen anatomisch object dat in een spier gevonden kan worden. We beschrijven ermee dat beweging, adem of gevoelsmatige beschikbaarheid van levensenergie in een bepaald gebied beperkt is geraakt en dat daar relatief weinig variatie meer mogelijk lijkt.

Wanneer in lichaamswerk opnieuw beweging en lichamelijke activatie in zo'n gebied worden gebracht door middel van lichaamsgerichte interventies, kan de eerder vastgehouden contractie veranderen. Een arm die jarenlang nauwelijks kracht maakte, kan bijvoorbeeld gaan duwen. Een borstkas die sterk werd vastgehouden kan meer gaan bewegen wanneer iemand dieper gaat ademen. Soms merkt iemand pas tijdens zo'n verandering hoeveel spanning daar aanwezig was.

Op dat moment kan er meer gebeuren dan alleen spierontspanning. De lichamelijke sensatie die opnieuw ontstaat, kan verbonden zijn met andere onderdelen van een eerdere ervaring. Iemand voelt plotseling dezelfde angst. Er verschijnt een beeld dat hij lang niet heeft gezien. Een bepaalde geur lijkt ineens weer aanwezig of er komt een zin in hem op die destijds werd uitgesproken.

Dat betekent niet dat de herinnering zelf in de betreffende spier lag opgeslagen. Een waarschijnlijker verklaring is dat de lichamelijke sensatie onderdeel was van een groter associatief geheugenpatroon. Wanneer dat lichamelijke onderdeel opnieuw sterk wordt geactiveerd, kunnen ook andere elementen uit dat netwerk toegankelijk worden. Onderzoek naar PTSS laat zien dat traumatische herinneringen zich inderdaad kunnen aandienen als lichamelijke, visuele, auditieve of olfactorische ervaringen. Ook geuren kunnen zeer krachtige triggers zijn voor traumatische herinneringen.

Daarmee kunnen twee ogenschijnlijk tegengestelde uitspraken tegelijk waar zijn. Een spier bevat geen letterlijke opname van een traumatische gebeurtenis. Tegelijk kan het lichaam een langdurig geleerd patroon dragen dat tijdens die gebeurtenis is ontstaan. Wanneer dat patroon verandert, kan de ervaring waarmee het verbonden raakte opnieuw voelbaar worden. Dat is ook waarom lichaamsgericht hechtingswerk zorgvuldig begeleid moet worden.

Wanneer een spiercontractie losser wordt en er ineens veel ervaring beschikbaar komt, zegt de intensiteit daarvan nog niets over de historische juistheid van iedere associatie die opkomt. Een beeld of geur kan betekenisvol zijn zonder dat een therapeut daar onmiddellijk een feitelijke reconstructie van het verleden van mag maken. Binnen de Bellein Academie onderzoeken we daarom wat er gebeurt terwijl het gebeurt.

Wanneer iemand tijdens een beweging ineens sterke angst ervaart, wordt die angst serieus genomen. Wanneer daarbij een herinneringsbeeld verschijnt, krijgt ook dat ruimte. Tegelijk blijft de therapeut onderscheiden tussen wat de cliënt op dat moment werkelijk ervaart en wat daaruit met zekerheid over het verleden kan worden afgeleid. Dat onderscheid maakt het mogelijk het lichaam volwaardig als bron van informatie te gebruiken zonder er een simplistische geheugenopslag van te maken.

Lees verder: Emoties, grenzen en gezonde agressie · Ademwerk: wanneer het niet handig is om intens te gaan

Een gewone prikkel kan daardoor een buitengewone betekenis krijgen

Perry beschrijft in zijn klinische werk een jong kind dat een extreem gewelddadige gebeurtenis had meegemaakt. Na die ervaring konden op zichzelf heel gewone dingen een sterke angstreactie oproepen, omdat ze onderdeel waren geweest van wat er tijdens de traumatische gebeurtenis gebeurde. Voor mensen in haar omgeving leek haar reactie daardoor soms volledig onbegrijpelijk.

Vanuit het perspectief van het kind bestond er wel degelijk samenhang. Haar brein had geleerd dat een bepaald signaal vooraf kon gaan aan iets verschrikkelijks. Dat principe helpt begrijpen waarom een cliënt soms niet weet waarom hij reageert.

De bewuste herinnering ontbreekt misschien op dat moment, terwijl een overeenkomst in de huidige situatie voldoende is om het systeem te activeren. Daarmee ontstaat ook een belangrijke therapeutische verantwoordelijkheid. Een reactie vertelt dat iets betekenis heeft gekregen. Zij vertelt nog niet met zekerheid welke historische gebeurtenis daar precies achter ligt.

Binnen Bellein blijven we daarom terughoudend met het invullen van ontbrekende herinneringen.

Bescherming ontstaat omdat iets ooit zin had

Veel traumagerelateerde reacties worden begrijpelijker wanneer je onderzoekt onder welke omstandigheden ze zijn ontstaan.

Een kind dat thuis nooit weet wanneer iemand plotseling woedend wordt, leert uiterst goed letten op kleine veranderingen. Het hoort verschil in een stem voordat anderen dat opmerken en kijkt nauwkeurig naar een gezicht om te voorspellen wat er gaat gebeuren. Die waakzaamheid kost veel energie. In die omgeving kan zij tegelijkertijd zeer verstandig zijn.

Hetzelfde geldt voor afstand houden wanneer nabijheid gevaarlijk was. Of voor verstillen wanneer verzet de situatie erger zou hebben gemaakt.

Bescherming kan ook zichtbaar worden in de manier waarop iemand zijn lichaam langdurig vasthoudt. Tijdens hevige angst of paniek kan een spier of spiergroep krachtig aanspannen. Wanneer het volledig ervaren van wat er gebeurt op dat moment te overweldigend is, kan die contractie helpen om een deel van de lichamelijke intensiteit te begrenzen. Bij sommige mensen blijft zo'n patroon daarna gedeeltelijk bestaan, terwijl zij zich nauwelijks nog bewust zijn van de inspanning die daarvoor nodig is.

Binnen lichaamsgericht hechtingswerk proberen we daarom eerst te begrijpen wat een reactie voor iemand heeft gedaan.

Pat Ogden, grondlegger van Sensorimotor Psychotherapy, werkt vanuit een vergelijkbaar respect voor bescherming. Zij volgt zorgvuldig wat er lichamelijk gebeurt terwijl iemand vertelt en contact maakt.

Een cliënt merkt bijvoorbeeld dat hij naar achteren beweegt zodra een ander dichterbij komt. De beweging wordt niet onmiddellijk geïnterpreteerd. Eerst wordt onderzocht of hij zelf ervaart dat zijn lichaam afstand zoekt.

Zo kan iets wat tot dan toe automatisch gebeurde langzaam toegankelijk worden voor bewust onderzoek.

Perry: voorspelbaarheid verandert de ervaring van stress

Een ander belangrijk thema in Perry's werk is voorspelbaarheid. Stress wordt veel moeilijker te verdragen wanneer iemand niet weet wat er zal gebeuren en daar geen invloed op kan uitoefenen.

Perry bespreekt dit aan de hand van onderzoek naar controle over belastende situaties. Wanneer een organisme kan voorspellen wanneer iets onaangenaams optreedt en enige invloed ervaart op wat er gebeurt, ontstaat een ander patroon dan wanneer dezelfde belasting volkomen willekeurig komt.

Dat helpt begrijpen waarom traumatische machteloosheid zo diep kan ingrijpen. Bij een traumatische gebeurtenis is er vaak juist nauwelijks keuze. Iemand kan niet bepalen wanneer het gevaar stopt of wat de ander doet. Daarom wordt het terugvinden van invloed in therapie zo belangrijk.

Perry beschrijft bij een getraumatiseerd kind hoe zij zelf bepaalde wat er tijdens haar spel gebeurde en hoeveel van de traumatische ervaring dichtbij mocht komen. Dat gaf haar de mogelijkheid de intensiteit te doseren.

Binnen lichaamsgericht werk zien we hetzelfde principe terug.

Een cliënt moet werkelijk kunnen stoppen. Dat betekent meer dan zeggen dat hij mag stoppen. Hij moet ook ervaren dat zijn grens gevolgen heeft voor wat de therapeut vervolgens doet. Wanneer hij aangeeft dat een beweging te dichtbij komt en de therapeut onmiddellijk afstand neemt, ontstaat er lichamelijk bewijs dat zijn handelen invloed heeft op de situatie. Voor iemand die eerder machteloos was, kan precies daarin een nieuwe ervaring ontstaan.

Relaties kunnen gevaar brengen én helpen herstellen

Perry legt in zijn boek opvallend veel nadruk op relaties.

Zijn klinische werk met getraumatiseerde kinderen liet hem zien dat de reactie op een traumatische gebeurtenis sterk samenhing met de mensen die daarna beschikbaar waren. Kinderen die konden terugvallen op vertrouwde volwassenen die voldoende rustig en betrouwbaar bleven, bleken vaak beter te herstellen.

Dat is bijzonder relevant voor lichaamsgericht hechtingswerk.

Een mens reguleert zichzelf nooit volledig los van andere mensen. Wanneer een kind bang wordt en een ouder rustig blijft, krijgt het lichaam van dat kind informatie uit de relatie. Het hoort de stem van de ouder en ziet diens gezicht. Het merkt aan de manier waarop de ouder reageert dat gevaar misschien minder groot is dan het zelf op dat moment ervaart. Wanneer de ouder zelf angstig of agressief reageert, ontstaat andere informatie.

Perry formuleert daarom een eenvoudig klinisch principe: wie een bang kind wil helpen kalmeren, moet zelf voldoende gereguleerd kunnen blijven.

Dat geldt ook voor therapie met volwassenen.

Een therapeut die onrustig wordt zodra een cliënt emotioneel wordt, beïnvloedt het proces. Een therapeut die te snel dichtbij komt omdat hij wil helpen, kan eveneens iets oproepen.

De therapeutische relatie is daardoor zelf onderdeel van het traumawerk.

Lees verder: Wat is de therapeutische relatie?

Wanneer degene die veiligheid moest geven ook gevaar bracht

Bij relationeel trauma wordt dit nog ingewikkelder.

Een kind kan afhankelijk zijn van precies degene die ook angst oproept. Het kan niet eenvoudig besluiten die ouder voortaan te vermijden. Het heeft die persoon nodig om te overleven en verlangt tegelijkertijd naar diens nabijheid. Zo kan een kind leren dat contact zowel noodzakelijk als bedreigend is.

Later kan die geschiedenis zichtbaar worden wanneer iemand steun verlangt en zich terugtrekt zodra een ander werkelijk beschikbaar komt. Of wanneer iemand alles alleen probeert op te lossen en plotseling sterk ontregeld raakt zodra hij afhankelijk wordt.

Daarom is regulatie alleen onvoldoende als verklaring voor relationeel trauma. We moeten ook begrijpen wat nabijheid zelf voor iemand betekent.

Perry beschrijft relaties als een van de krachtigste factoren in herstel. De hechtingstheorie helpt vervolgens begrijpen waarom juist die relatie ook de plaats kan zijn waar bescherming opnieuw actief wordt.

Lees verder: Hechting en het lichaam

Ritme, herhaling en herstel

Perry benadrukt gedurende zijn werk dat verandering in het zenuwstelsel herhaalde ervaring nodig heeft. Een enkele therapeutische doorbraak kan veel betekenen. Zij hoeft een jarenlang geleerd patroon nog niet onmiddellijk te veranderen. Wanneer iemand zijn hele jeugd heeft ervaren dat grenzen geen effect hebben, ontstaat er waarschijnlijk geen nieuwe verwachting doordat één therapeut één keer goed op een grens reageert.

Het wordt krachtiger wanneer een ander patroon zich herhaalt. De cliënt geeft iets aan en merkt dat de ander luistert. Een week later gebeurt dat opnieuw. Wanneer hij twijfelt, hoeft hij niet onmiddellijk mee te gaan. Wanneer hij stopt, wordt er werkelijk gestopt. Door herhaling krijgt een nieuwe ervaring steeds meer gewicht.

Perry beschrijft de ontwikkeling van de hersenen als sterk afhankelijk van herhaalde, passende ervaringen. In zijn Neurosequential Model heeft hij dit later verder uitgewerkt tot een klinisch kader waarin gekeken wordt welke ontwikkelingsbehoefte eerst aandacht vraagt voordat complexere vaardigheden realistisch verwacht kunnen worden. Een recente scoping review vond een groeiende hoeveelheid onderzoek naar dit model, terwijl veel studies nog geen goede vergelijkingsgroep hadden. De onderzoekers beschrijven het Neurosequential Model daarom als een raamwerk voor beoordeling en behandelplanning en niet als een zelfstandige traumabehandeling.

Die nuance is belangrijk.

Perry's werk helpt ons nadenken over volgorde en ontwikkeling. Het geeft geen reden om de complexiteit van het brein terug te brengen tot een eenvoudig schema waarin één hersengebied eerst volledig 'gerepareerd' zou moeten worden voordat een ander gebied gebruikt kan worden. Perry beschrijft in zijn boek zelf al dat verschillende hersensystemen voortdurend samenwerken.

Draagkracht bepaalt hoeveel ervaring bruikbaar is

Hier komen Perry, Van der Kolk en lichaamsgerichte traumatherapie heel dicht bij elkaar. Therapie hoeft niet zo intens mogelijk te zijn om diep te werken. Perry schrijft over de betekenis van de dosis van stress. Een hanteerbare hoeveelheid spanning kan ontwikkeling mogelijk maken. Wanneer de belasting de capaciteit van het systeem ver overschrijdt, gebeurt iets anders.

Dat zie je ook in een therapiesessie. Een cliënt kan zeggen dat hij verder wil en ondertussen steeds minder aanwezig raken. Zijn ogen verliezen focus. Hij hoort de therapeut nog wel, maar reageert vertraagd. Wanneer hem gevraagd wordt wat hij voelt, wordt het steeds moeilijker om daar antwoord op te geven. Dan heeft intensiveren weinig zin. De ervaring moet klein genoeg blijven om door de cliënt zelf te kunnen worden gevolgd.

Dat betekent ook dat draagkracht niet hetzelfde is als comfort. Iemand mag geraakt worden. Er mag spanning ontstaan. De therapeut volgt ondertussen of de cliënt nog voldoende toegang heeft tot zichzelf om iets nieuws te ervaren.

Daar ligt een essentieel verschil tussen overspoeling en verwerking. Ook Marjolein van Belle, ontwikkelaar van lichaamsgerichte hechtingstherapie en oprichtster van de Bellein Academie, schrijft hier een artikel over ‘Geen catharsis maar integratieve voltooiing’.

Peter Levine en beschermingsbewegingen

Ook Peter Levine, grondlegger van Somatic Experiencing, heeft veel invloed gehad op het hedendaagse lichaamsgerichte traumawerk. Levine richt de aandacht onder andere op lichamelijke impulsen die tijdens een bedreigende situatie ontstonden. Iemand wilde misschien wegkomen en kon dat niet. Een ander wilde zich verdedigen terwijl verzet de situatie gevaarlijker zou hebben gemaakt.

Binnen Somatic Experiencing kan later worden onderzocht wat er gebeurt wanneer iemand opnieuw contact krijgt met zo'n impuls. Dat gebeurt in kleine stappen.

Binnen lichaamsgericht hechtingswerk kan bescherming daarnaast zichtbaar blijven in een langdurig vastgehouden spiercontractie. Wanneer de spier opnieuw actief wordt gebruikt en er beweging in het gebied komt, kan ook de levensenergie daar weer beschikbaar worden. De contractie kan dan veranderen. Soms wordt daardoor meer voelbaar van de ervaring waarmee dit lichamelijke patroon verbonden raakte.

De gedachte dat een onderbroken beschermingsbeweging een rol kan spelen bij traumatische klachten is een klinisch model. Daaruit kan niet worden afgeleid dat iedere traumatische klacht wordt veroorzaakt door een letterlijk onafgemaakte beweging.

Lees verder: Lichaamsgerichte therapievormen en verwante methoden

Moet iemand eerst stabiliseren voordat verwerking kan beginnen?

Judith Herman heeft het traumaveld sterk beïnvloed met haar fasegerichte benadering. Daarin krijgt iemand eerst de gelegenheid voldoende veiligheid en stabiliteit te ontwikkelen. Daarna kan verdere traumaverwerking plaatsvinden. Dat model is vooral belangrijk geworden bij mensen met langdurige en complexe traumatisering.

Recent onderzoek maakt het beeld genuanceerder. Een systematische review en meta-analyse uit 2026 vond geen algemeen voordeel van een fasegerichte behandeling voor alle onderzochte uitkomsten. Voor enkele uitkomsten werden wel voordelen gevonden. De onderzoekers concluderen daarom dat de noodzaak van een afzonderlijke stabilisatiefase niet voor iedere cliënt op dezelfde manier kan worden vastgesteld.

Dat sluit goed aan bij de gedachte van draagkracht. De therapeut beoordeelt wat deze persoon op dit moment daadwerkelijk kan verwerken. Een cliënt hoeft niet eindeloos voorbereid te worden wanneer hij goed in staat is met traumatische herinneringen te werken. Tegelijk heeft het weinig therapeutische waarde om iemand verder een ervaring in te begeleiden wanneer hij onderweg steeds minder toegang krijgt tot zichzelf.

Lichaamswerk kan laten zien waar bescherming actief wordt

Binnen lichaamsgerichte hechtingstherapie wordt het lichaam actief bij het therapeutische onderzoek betrokken. Een cliënt kan bijvoorbeeld worden uitgenodigd vanuit zijn benen kracht te zetten en met zijn armen iemand op afstand te houden. Aanvankelijk lukt dat misschien zonder moeite. Wanneer de therapeut een stap dichterbij komt, verandert de beweging. De cliënt merkt dat zijn armen nog steeds naar voren gaan, terwijl de kracht eruit verdwijnt. Tegelijk beseft hij dat hij zijn adem inhoudt. Daarmee ontstaat nieuwe informatie.

De therapeut hoeft nog niet te weten waarom dit gebeurt. Eerst kan worden onderzocht wat de cliënt zelf ervaart. Misschien blijkt dat een grens goed voelbaar is zolang de ander op afstand blijft. Zodra er werkelijk relationele druk ontstaat, wordt het veel moeilijker om die grens te behouden.

Wanneer een langdurig vastgehouden contractie tijdens zo'n proces losser wordt, kan er meer beschikbaar komen dan alleen beweging. De cliënt kan plotseling dezelfde angst of spanning ervaren die hij met een eerdere situatie verbindt. Soms verschijnt er een beeld. Bij iemand anders komt onverwacht een geur terug of worden woorden herinnerd die bij de eerdere situatie horen. De therapeut neemt die ervaring serieus en blijft tegelijk zorgvuldig onderscheiden wat de cliënt nu ervaart en wat daaruit met zekerheid over het verleden kan worden afgeleid.

Met behulp van de Bellein TegelWijzer © probeert de therapeut vervolgens te begrijpen waar het proces verder onderzocht moet worden.

Wanneer de cliënt tijdens de oefening nauwelijks meer aanwezig blijft, vraagt zijn lichamelijke draagkracht eerst aandacht. Als hij goed aanwezig blijft en merkt dat hij onmiddellijk bang wordt voor de reactie van de therapeut, ligt het werk ergens anders. Misschien wordt vervolgens zichtbaar dat hij zijn eigen boosheid nauwelijks verdraagt omdat die vroeger gemakkelijk tot verlies van contact leidde.

Zo ontstaat de therapeutische hypothese uit wat zich daadwerkelijk ontvouwt. De TegelWijzer voorkomt daarmee dat een opvallende lichamelijke reactie onmiddellijk tot één verklaring wordt teruggebracht.

Integratieve voltooiing

Binnen oudere lichaamsgerichte therapietradities heeft emotionele ontlading soms veel nadruk gekregen. De Bellein Academie kijkt vooral naar wat een ervaring uiteindelijk verandert.

Iemand kan tijdens een sessie intens huilen of trillen. De therapeutische betekenis daarvan blijkt pas wanneer duidelijk wordt wat er daarna mogelijk is.

Kan iemand aanwezig blijven bij wat hij voelt? Begrijpt hij beter wat er in hem gebeurt? Ontstaat er daadwerkelijk meer mogelijkheid om anders te handelen wanneer dezelfde situatie zich later opnieuw voordoet?

Binnen Bellein gebruiken we hiervoor het begrip integratieve voltooiing: een ervaring die eerder vastliep kan binnen voldoende draagkracht opnieuw verdergaan en onderdeel worden van het huidige ervaren.

Zo'n gestagneerd proces kan ook zichtbaar zijn in een langdurig vastgehouden spiercontractie. Wanneer die contractie verandert, kan iemand lichamelijke intensiteit gaan ervaren die eerder sterk werd begrensd. Integratieve voltooiing betekent dan dat die ervaring nu wel gevoeld en verwerkt kan worden terwijl de cliënt aanwezig blijft en invloed houdt op wat er gebeurt.

Een cliënt die altijd automatisch meegaf wanneer iemand druk op hem uitoefende, ontdekt bijvoorbeeld dat zijn lichaam weerstand wil bieden. Tijdens het duwen merkt hij dat zijn kracht blijft bestaan terwijl hij werkelijk voelt dat hij wil dat de ander stopt. De beweging krijgt betekenis doordat zij verbonden raakt met zijn eigen ervaring. Een volgende keer merkt hij zijn grens misschien eerder. Daar begint integratie zichtbaar te worden.

Perry's werk helpt ook hier begrijpen waarom herhaling belangrijk is. Eén ervaring kan een opening geven. Een nieuw patroon wordt geloofwaardiger wanneer het lichaam en de relatie herhaaldelijk laten ervaren dat dezelfde nieuwe mogelijkheid werkelijk bestaat.

Lees verder: Wat is lichaamsgerichte therapie?

Waar staat lichaamsgerichte hechtingstherapie hierin?

Lichaamsgerichte hechtingstherapie (LHT) is binnen de Bellein Academie ontwikkeld vanuit de lichaamsgerichte psychotherapeutische traditie en verbindt die met kennis over hechting en ontwikkeling.

Het werk van Van der Kolk maakt begrijpelijk waarom traumatische stress lichamelijk zichtbaar kan blijven en waarom een lichamelijke of zintuiglijke ervaring opnieuw toegang kan geven tot delen van wat iemand eerder heeft meegemaakt.

Perry voegt daaraan toe dat we moeten onderzoeken hoe het organisme zich in de loop van de ontwikkeling heeft aangepast aan wat steeds opnieuw gebeurde. Zijn werk benadrukt bovendien dat het tempo van verandering ertoe doet. Nieuwe ervaringen moeten vaak terugkeren voordat een diep ingesleten verwachting werkelijk minder vanzelfsprekend wordt.

Lanius helpt begrijpen waarom iemand bij spanning zowel sterk geactiveerd als juist steeds minder aanwezig kan raken.

Ogden laat zien hoe actuele lichamelijke patronen onderzocht kunnen worden zonder ze onmiddellijk van een historische verklaring te voorzien.

De hechtingstheorie maakt vervolgens zichtbaar waarom dezelfde lichamelijke reactie een andere betekenis kan krijgen wanneer zij ontstaat in contact met iemand van wie steun, erkenning of bescherming wordt verlangd.

Binnen LHT worden deze perspectieven bij elkaar gebracht rond de concrete cliënt die voor de therapeut zit. Daarbij blijft professionele bescheidenheid nodig.

Lichaamsgerichte hechtingstherapie is als volledige geïntegreerde methode niet afzonderlijk onderzocht als behandeling voor PTSS. Bellein claimt daarom geen bewezen effectiviteit van LHT voor PTSS als diagnose. Wanneer traumagerelateerde problematiek ernstig is, moet een therapeut bovendien goed kunnen beoordelen waar zijn deskundigheid ophoudt. Soms is samenwerking met gespecialiseerde traumazorg nodig. In andere situaties is verwijzing de aangewezen stap.

Lees verder: Wat is Lichaamsgerichte Hechtingstherapie?

Wat Van der Kolk en Perry samen toevoegen

Van der Kolk heeft het traumaveld geholpen om de vraag serieus te nemen wat er lichamelijk gebeurt wanneer een traumatische geschiedenis in het heden wordt geraakt. Perry voegt daar een ontwikkelingsvraag aan toe.

  • Hoe heeft dit systeem geleerd zo te reageren?
  • Wanneer moest deze reactie telkens opnieuw worden gebruikt?
  • Wat kon deze persoon op dat moment in zijn ontwikkeling al zelf en waarvoor was hij nog volledig afhankelijk van anderen?
  • En welke nieuwe ervaringen moeten vaak genoeg terugkomen voordat een ander patroon geloofwaardig wordt?

Die benadering voorkomt dat het lichaam tot een verzameling symptomen wordt gemaakt.

Een gespannen lichaam vertelt geen kant-en-klare geschiedenis. Het laat zien dat er op dit moment iets gebeurt.

De taak van de therapeut is vervolgens zorgvuldig te onderzoeken wat die reactie voor deze persoon betekent, hoeveel hij ervan kan ervaren en wat er nodig is om in het heden werkelijk iets nieuws mogelijk te maken.

Daar ligt voor Bellein de betekenis van lichaamsgericht traumawerk.

Wil je dit zelf ervaren? Kom naar een kennismakingsworkshop of een themadag.

Veelgestelde vragen over trauma en het lichaam

Waarom reageert mijn lichaam terwijl ik weet dat ik veilig ben?

Automatische reacties kunnen ontstaan voordat je bewust hebt kunnen beoordelen wat er gebeurt.

Wanneer een situatie overeenkomsten vertoont met eerder gevaar, kan het systeem onmiddellijk reageren. Dat geldt vooral wanneer zulke signalen in het verleden vaak betekenisvol waren.

Perry helpt begrijpen hoe herhaalde ervaring zulke verwachtingen kan vormen. Van der Kolks werk laat zien hoe sterk die lichamelijke reactie later opnieuw kan worden.

Wordt trauma in het lichaam opgeslagen?

Dat hangt af van wat met 'opgeslagen' wordt bedoeld. Een spier bewaart geen volledige autobiografische herinnering van wat er is gebeurd. Een traumatische ervaring kan wel langdurig doorwerken in de manier waarop iemand zijn lichaam organiseert. Tijdens hevige stress kunnen spieren krachtig aanspannen of kan beweging worden tegengehouden. Zo'n beschermingspatroon kan later gedeeltelijk blijven bestaan zonder dat iemand zich nog bewust is van de inspanning die daarvoor nodig is.

Wanneer zo'n gebied tijdens lichaamswerk opnieuw wordt geactiveerd en de contractie verandert, kunnen sensaties en herinneringselementen beschikbaar komen die met de oorspronkelijke ervaring verbonden zijn. Iemand kan dan opnieuw angst ervaren. Soms komt daarbij een beeld terug. Een geur kan plotseling vertrouwd voelen of woorden uit de eerdere situatie worden opnieuw herinnerd.

Binnen Bellein nemen we zulke ervaringen serieus. De therapeut blijft zorgvuldig onderscheiden wat iemand op dat moment werkelijk ervaart en wat daarmee over het verleden met zekerheid kan worden vastgesteld.

Waarom heeft vroeg trauma soms zoveel invloed?

Een jong kind is nog volop in ontwikkeling.

Het leert in die periode hoe betrouwbaar de wereld is en wat het kan verwachten wanneer het bang of overstuur raakt. Wanneer juist in deze periode vaak ernstige dreiging of verwaarlozing optreedt, ontwikkelt het kind zich binnen die omstandigheden.

Perry's werk heeft veel aandacht gevraagd voor deze wisselwerking tussen ervaring en ontwikkeling.

Kan gewone stress ook goed zijn?

Ja.

Ontwikkeling vraagt om uitdagingen die iemand aankan. Een kind dat iets moeilijks probeert en ontdekt dat het kan herstellen van de spanning, leert daar juist van.

Problemen ontstaan vooral wanneer de belasting te groot wordt, langdurig aanhoudt of zeer onvoorspelbaar is en iemand nauwelijks invloed ervaart op wat er gebeurt.

Waarom is voorspelbaarheid zo belangrijk bij trauma?

Voorspelbaarheid geeft het organisme de kans zich voor te bereiden.

Wanneer iemand bovendien enige invloed heeft op wat er gebeurt, wordt een belastende ervaring anders verwerkt dan wanneer hij volledig machteloos is.

Daarom is het in traumatherapie essentieel dat een cliënt werkelijk invloed houdt op tempo en afstand.

Helpt lichaamsgerichte therapie bij trauma?

Er zijn aanwijzingen dat sommige lichaamsgerichte interventies behulpzaam kunnen zijn bij traumagerelateerde klachten.

De hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek verschilt per methode. Voor gediagnosticeerde PTSS beschikken verschillende gevestigde traumagerichte behandelingen op dit moment over een sterkere onderzoeksbasis dan de meeste specifiek lichaamsgerichte therapieën.

Verdiep je verder

Zenuwstelsel, stress en regulatie

Wat er gebeurt wanneer spanning oploopt en hoe regulatie en co-regulatie werken.

Hechting en het lichaam

Hoe nabijheid, autonomie en relationele veiligheid lichamelijk merkbaar worden.

Lichaam en psyche

Hoe lichaam en psyche elkaar voortdurend beïnvloeden.

Wetenschap en lichaamsgerichte therapie

Wat onderzoek zegt, wat een model is en welke kennis uit de praktijk komt.

Wil je advies?

Onze opleidingscoördinatoren staan klaar om al je vragen te beantwoorden. Neem gerust contact met ons op voor meer informatie over de opleiding of het inschrijfproces.

Je kunt ons bellen op 06 49 16 55 34 of vul het contactformulier hier in.
We reageren binnen vijf werkdagen!

Wil je liever eerst ervaren voordat je je inschrijft? Bekijk wat je kunt beleven bij Bellein.
Kom dan naar de kennismakingsworkshop of themadag. 

Wil je meer weten over de beroepsopleiding tot lichaamsgericht hechtingstherapeut?
Ontvang onze informatiegids en ontdek alles over de inhoud, opzet en mogelijkheden van deze vierjarige opleiding. Vul hiernaast je gegevens in en ontvang de gids direct in je inbox!

Heb je vragen? Neem gerust contact met ons op.