
Waarom roept bemoeienis zoveel weerstand op?
Waarom verzet ik me zodra iemand mij vertelt wat ik moet doen?
Je partner vraagt wat je dit weekend wilt doen. Je hebt geen uitgesproken voorkeur en laat de beslissing graag aan de ander over. Maar zodra er een voorstel komt, merk je dat je er eigenlijk geen zin in hebt. Je vindt het vervelend dat alles alweer voor je wordt bepaald, terwijl je zelf nauwelijks initiatief hebt genomen.
Ook goedbedoelde adviezen kunnen weerstand oproepen. Je worstelt ergens mee, iemand denkt met je mee en komt met een oplossing die best verstandig klinkt. Toch wil je er ineens niets meer van weten. Misschien zou je precies hetzelfde hebben bedacht, maar nu het idee van een ander komt, voelt het alsof je opnieuw moet doen wat iemand anders wil.
Deze combinatie van meegaandheid en verzet kan verwarrend zijn, zowel voor jezelf als voor de mensen om je heen. Een mogelijke verklaring ligt in je kindertijd, waarin je misschien onvoldoende ruimte hebt gekregen om een eigen wil te ontwikkelen, te ontdekken wat je zelf wilt en te leren vertrouwen op je eigen keuzes.
Hoe een kind leert op zichzelf te vertrouwen
Een kind van twee dat zelf zijn schoenen wil aantrekken, is bezig met een belangrijke ontwikkelingsopgave. Het wil ontdekken wat het zelf kan en hoe iets werkt. Dat de schoenen verkeerd om zitten en het aantrekken langer duurt dan wanneer moeder het doet, is voor de ontwikkeling van minder belang dan de ervaring die het kind opdoet.
Het probeert iets, merkt wat er gebeurt en ontdekt gaandeweg hoe het een handeling zelfstandig kan uitvoeren. Daarbij ervaart het dat zijn initiatief ertoe doet en dat het invloed heeft op zijn omgeving.
Vooral tussen ongeveer anderhalf en drie jaar wordt deze ontwikkeling nadrukkelijk zichtbaar. Ontwikkelingspsycholoog Erik Erikson beschreef deze levensfase als autonomie tegenover schaamte en twijfel. Het kind ontwikkelt een beginnend gevoel van zelfstandigheid en leert dat het zelf invloed kan uitoefenen op wat het doet.
Het heeft daarvoor de ruimte van zijn ouders nodig. Een ouder die een kind laat proberen, fouten laat maken en de eigen manier van ontdekken respecteert, ondersteunt de ontwikkeling van vertrouwen in het eigen handelen.
Gedurende de verdere kindertijd groeit daaruit steeds meer het vermogen om eigen voorkeuren te herkennen, keuzes af te wegen en een zelfstandig oordeel te vormen. Het kind leert zijn gevoelens en behoeften serieus te nemen en ontdekt dat zijn eigen manier van denken of handelen waardevol kan zijn, ook wanneer anderen het anders zouden doen.
Binnen de ontwikkelingspsychologie wordt dit autonomieondersteunend opvoeden genoemd. Binnen dezelfde psychologie wordt autonomie als een fundamentele psychologische basisbehoefte beschreven, naast competentie en verbondenheid. Onderzoek laat zien dat ouderlijke autonomieondersteuning samenhangt met gunstige aspecten van de psychosociale ontwikkeling van kinderen.
Autonomieondersteuning betekent overigens dat ouders hun kind begeleiden en grenzen stellen, rekening houdend met zijn leeftijd en mogelijkheden. Juist binnen die veilige begrenzing kan het kind ontdekken dat het een eigen persoon is die initiatief mag nemen.
Wanneer moeder altijd beter weet hoe het moet
In sommige gezinnen krijgt een kind weinig gelegenheid om deze zelfstandigheid te ontwikkelen. Een moeder kan onbewust zo bepalend aanwezig zijn dat zij voortdurend de regie overneemt. Zij weet wat verstandig is, hoe iets moet gebeuren en wat het beste is voor haar kind.
Misschien komt dat voort uit bezorgdheid, perfectionisme of de overtuiging dat zij haar kind helpt door het steeds de juiste weg te wijzen. Voor het kind kan het betekenen dat er nauwelijks ruimte overblijft om zelf iets te ontdekken.
Wanneer het een andere aanpak kiest, wordt die gecorrigeerd. Als het iets nieuws probeert, krijgt het onmiddellijk aanwijzingen. En wanneer het een eigen voorkeur uitspreekt, legt moeder uit waarom een andere keuze verstandiger is.
Het kind krijgt daardoor onvoldoende gelegenheid om te ervaren dat het zelf tot een oplossing kan komen. De beoordeling van moeder wordt steeds opnieuw de maatstaf waaraan het eigen handelen wordt afgemeten.
Ook de ontwikkeling van een zelfstandig oordeel kan hierdoor onder druk komen te staan. Om te leren vertrouwen op je eigen waarneming en beoordeling moet je immers gelegenheid krijgen die te ontwikkelen, ermee te oefenen en te ervaren dat jouw ideeën ertoe doen.
Wanneer een ouder voortdurend voor het kind denkt en beslist, kan het leren om vooral richting en bevestiging buiten zichzelf te zoeken.
Binnen de opvoedingspsychologie wordt onderscheid gemaakt tussen autonomie-ondersteuning en psychologische controle. Van psychologische controle is sprake wanneer ouders de belevingswereld van het kind proberen te sturen, bijvoorbeeld door schuldgevoelens op te roepen, schaamte te gebruiken of affectie afhankelijk te maken van gehoorzaamheid. Onderzoek verbindt zulke opvoedingspatronen met een grotere kans op problemen in de psychosociale ontwikkeling, al verschilt de uitwerking per kind.
Een kind kan zich hierdoor ontwikkelen tot iemand die bijzonder goed weet wat anderen van hem verwachten, terwijl het weinig vertrouwen heeft opgebouwd in zijn vermogen om zelfstandig richting te geven.
Maar de behoefte om zelf te bepalen verdwijnt daarmee niet vanzelf.
De boosheid die geen ruimte kreeg
Een kind dat voortdurend wordt gecorrigeerd of overheerst, kan zich daar behoorlijk boos over voelen. Het wil immers ook zelf ontdekken en zijn eigen gang gaan. Wanneer openlijk verzet leidt tot afkeuring, straf of emotionele afstand, kan het verstandiger lijken om die boosheid voor zich te houden.
Het kind past zich aan, maar dat betekent niet dat het innerlijk instemt met wat er gebeurt. Deze tegenstelling leidt tot een innerlijk conflict tussen de behoefte aan liefde en acceptatie enerzijds en het verzet tegen gezag anderzijds. Als lichaamsgericht hechtingstherapeut is het van belang te onderzoeken hoe vroege ervaringen met autoriteit kunnen doorwerken in de manier waarop iemand later reageert op gezag en beperkingen.
Een aangepaste persoonlijkheid kan gevoelens gaan verhullen die iemand van zichzelf liever niet onder ogen ziet. Achter een meegaande houding kan bijvoorbeeld boosheid of vijandigheid schuilgaan die nauwelijks bewust wordt ervaren. Dat kan ertoe leiden dat iemand uiterlijk gehoorzaamt, terwijl hij innerlijk weerstand blijft voelen.
Soms krijgt die weerstand een indirecte uitingsvorm. Een kind doet wat moeder vraagt, maar treuzelt eindeloos of voert een opdracht met tegenzin uit. Het kan op die manier toch iets van zijn eigen invloed proberen te behouden.
Later kan dit patroon voortbestaan als passief-agressief gedrag. Iemand zegt toe iets te zullen doen, maar stelt het telkens uit. Of hij stemt in met een beslissing en gedraagt zich vervolgens alsof die hem is opgedrongen.
Niet iedere vorm van uitstel of tegenzin hoeft passieve agressie te zijn. Wanneer iemand echter herhaaldelijk instemt en vervolgens indirect weerstand biedt, kan het zinvol zijn te onderzoeken welke onuitgesproken boosheid of behoefte aan zelfstandigheid daarin meespeelt.
Waarom een advies als een opdracht kan voelen
Als volwassene kun je rationeel begrijpen dat iemand het goed met je voorheeft en toch onmiddellijk geïrriteerd raken wanneer diegene je vertelt hoe je iets het beste kunt aanpakken.
Binnen de sociale psychologie bestaat hiervoor het begrip psychologische reactantie. Daarmee wordt de weerstand bedoeld die kan ontstaan wanneer iemand ervaart dat zijn vrijheid om zelf te kiezen wordt beperkt. De psycholoog Jack Brehm ontwikkelde deze theorie om te verklaren waarom mensen soms juist weerstand bieden aan beïnvloeding, zelfs wanneer het voorgestelde gedrag in hun voordeel zou zijn.
Bij iemand die als kind weinig ruimte heeft ervaren voor zelfstandigheid, kan het voorstel van een ander mogelijk sneller de oude ervaring oproepen dat er opnieuw iemand is die bepaalt hoe het moet. Daardoor raakt de inhoud van het advies op de achtergrond. Belangrijker wordt het gevoel dat iemand anders invloed probeert uit te oefenen.
Je kunt dan merken dat je een idee afwijst dat je zelf misschien uitstekend zou hebben gevonden. Zodra iemand anders het voorstelt, verlies je de belangstelling of ontstaat er een sterke behoefte om het juist anders te doen. Dat kan een merkwaardige afhankelijkheid creëren. Je wilt voorkomen dat anderen jouw beslissingen bepalen, maar laat je eigen gedrag vervolgens sterk beïnvloeden door wat zij voorstellen.
Waarom je liever ‘zeg jij het maar’ zegt
Er bestaat nog een andere kant aan deze ontwikkeling. Wie als kind weinig gelegenheid kreeg om zelf oplossingen te bedenken, heeft mogelijk ook minder vertrouwen ontwikkeld in zijn eigen besluitvorming. Als volwassene kan dat ertoe leiden dat je gemakkelijk terugvalt op anderen wanneer er iets moet worden besloten.
Je partner neemt het initiatief, een collega bepaalt de aanpak of iemand anders hakt de knoop door. Dat geeft aanvankelijk rust, omdat je zelf geen beslissing hoeft te nemen waarvan de uitkomst onzeker is. Maar zodra de ander werkelijk de leiding neemt, kan het gevoel ontstaan dat je opnieuw wordt overheerst. Je kunt je dan weer het kind voelen en niet meer de volwassene. Zo ontstaat een patroon waarin de ene persoon steeds meer verantwoordelijkheid neemt, terwijl de ander zich steeds sterker verzet tegen de invloed die daarmee gepaard gaat.
Vooral in partnerrelaties kan dit tot terugkerende conflicten leiden. De partner die veel regelt, raakt gefrustreerd omdat voorstellen telkens op weerstand stuiten. Degene die weinig initiatief neemt, voelt zich op zijn beurt steeds minder vrij en soms zelfs betutteld. Beiden kunnen het gevoel krijgen dat de ander de oorzaak is van het probleem.
Het ingewikkelde is dat iemand oprecht kan verlangen naar zelfstandigheid en tegelijkertijd bang kan zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen. Een eigen beslissing betekent immers ook dat je kunt twijfelen, fouten kunt maken en de gevolgen van je keuze moet dragen. Wie daarin weinig vertrouwen heeft ontwikkeld, kan onbewust de vertrouwde situatie in stand houden waarin de ander beslist en er vervolgens ruimte ontstaat om zich daartegen te verzetten.
Wanneer verzet de plaats van zelfstandigheid inneemt
We maken een onderscheid tussen een vrije, volwassen wil en een wil die vooral wordt aangestuurd door angst, oude eisen of verzet. Dit is een spiritueel-psychologisch interpretatiekader, geen empirisch bewezen model van persoonlijkheidsontwikkeling. Toch biedt het een waardevol perspectief op de tegenstelling tussen gehoorzamen en rebelleren.
Iemand die vroeger weinig zeggenschap had, kan als volwassene sterk vasthouden aan de overtuiging dat niemand hem ooit meer mag vertellen wat hij moet doen. Dat verlangen naar vrijheid is begrijpelijk vanuit zijn geschiedenis. Tegelijkertijd kan de voortdurende behoefte om zich te verzetten zijn zelfstandigheid juist beperken.
Wie ieder advies eerst moet afwijzen om zich vrij te voelen, heeft weinig ruimte om werkelijk te onderzoeken wat hij zelf van het voorstel vindt. De eigen wil blijft dan verbonden met de ander, omdat zelfstandigheid vooral wordt ervaren wanneer er iemand is tegen wie je je kunt verzetten.
Een volwassen vorm van autonomie biedt meer mogelijkheden. Je kunt advies vragen, naar een ander luisteren en vervolgens zelf bepalen wat je ermee doet. Je kunt een voorstel overnemen omdat je het waardevol vindt, ongeacht wie het heeft bedacht. Daarvoor is vertrouwen nodig in je eigen vermogen om te beoordelen en te kiezen.
Hoe leer je alsnog vertrouwen op je eigen keuzes?
Wie als kind weinig ruimte kreeg om zelfstandig te ontdekken, kan als volwassene alsnog nieuwe ervaringen opdoen. Dat vraagt om aandacht voor de momenten waarop de oude tegenstelling zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld wanneer iemand je een advies geeft en je onmiddellijk weerstand voelt. In plaats van die reactie automatisch te volgen, kun je onderzoeken wat er gebeurt. Wat vind je werkelijk van het voorstel? Is er iets waar je inhoudelijk bezwaar tegen hebt, of ervaar je vooral irritatie omdat het idee van iemand anders afkomstig is?
Binnen lichaamsgerichte hechtingstherapie kan ook worden onderzocht hoe zulke reacties zich lichamelijk manifesteren. Misschien merk je dat je adem verandert zodra iemand aanwijzingen geeft, of dat je schouders zich aanspannen wanneer je het gevoel krijgt dat de ander de leiding neemt.
Die lichamelijke ervaringen kunnen helpen om een automatische reactie bewuster waar te nemen. Ze geven op zichzelf geen uitsluitsel over de oorsprong van het gedrag. Hun betekenis ontstaat in samenhang met de situatie, de persoonlijke geschiedenis en wat iemand daarbij ervaart.
Ook de onderliggende boosheid verdient aandacht. Wie als kind voortdurend werd overstemd, kan nog altijd verdriet of woede voelen over de ruimte die hij destijds niet kreeg. Het erkennen daarvan kan helpen om onderscheid te maken tussen wat vroeger gebeurde en wat zich vandaag afspeelt. Tegelijkertijd ontstaat er een nieuwe verantwoordelijkheid. Een partner of vriend die een voorstel doet, hoeft niet dezelfde betekenis te krijgen als de moeder die vroeger voortdurend bepaalde. Daarbij blijft het uiteraard belangrijk om werkelijk overheersend gedrag in het heden serieus te nemen.
Een andere ontwikkeling wordt mogelijk wanneer je jezelf toestaat om zelfstandig iets te proberen, zonder vooraf zekerheid te hebben dat je het goed doet. Je kunt een keuze maken, ervaren wat die oplevert en zo geleidelijk vertrouwen ontwikkelen in je eigen beoordelingsvermogen. Daarbij hoort ook dat je anderen om advies kunt vragen zonder daarmee de verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke beslissing uit handen te geven.
De vrijheid om werkelijk zelf te kiezen
De behoefte om zelf richting te geven aan je leven ontstaat al vroeg. Een kind dat zijn eigen weg mag onderzoeken, leert geleidelijk dat zijn voorkeuren ertoe doen en dat het op zijn eigen mogelijkheden kan vertrouwen. Wie die ruimte als kind weinig heeft ervaren, kan daar in het volwassen leven nog altijd gevolgen van ondervinden. De behoefte aan zelfstandigheid kan sterk aanwezig zijn, terwijl het vertrouwen om zelf keuzes te maken onvoldoende is ontwikkeld. Dan kan een merkwaardige tegenstelling ontstaan: je laat beslissingen over aan anderen, maar verzet je zodra zij daadwerkelijk bepalen wat er gebeurt.
Door te onderzoeken hoe die beweging is ontstaan, kan ook duidelijk worden wat er nodig is om haar te veranderen. De eigen wil hoeft uiteindelijk geen strijd met een ander te zijn. Je mag zelfstandig beslissen, je eigen voorkeuren onderzoeken en verantwoordelijkheid nemen voor de weg die je kiest. Daarbij kun je ook profiteren van de kennis en ervaring van anderen.
Wanneer je daar steeds meer op leert vertrouwen, ontstaat een vorm van vrijheid waarin je niet langer hoeft te gehoorzamen of te rebelleren om je tot anderen te verhouden. Je kunt eenvoudigweg zelf kiezen.
Verder lezen en ervaren
Meer over beschermingspatronen die in de kindertijd kunnen ontstaan, lees je in het kennisdossier Karakter & bescherming.
De relatie tussen zelfstandigheid en verbondenheid wordt verder uitgewerkt in het kennisbankartikel Autonomie binnen hechting.
Tijdens de themadag Wat heb ik met boosheid? onderzoekt Bellein Academie hoe boosheid en verborgen verzet zich kunnen uiten en hoe gezonde boosheid helpt om een eigen positie in te nemen.








