
Waarom sta ik er altijd alleen voor? Over je niet gezien voelen in relaties
Hoe Dees bleef wachten tot iemand haar eindelijk zou zien
Heb je vaak het gevoel dat je er alleen voor staat? Alsof jij degene bent die alles draagt en ondertussen blijft hopen dat iemand eindelijk ziet hoe zwaar het voor je is? In de dramadriehoek wordt deze positie vaak de slachtofferrol genoemd, maar dat woord klinkt al snel harder dan de ervaring zelf. Meestal gaat het niet om aanstellen, maar om oude pijn, machteloosheid en een diep verlangen naar erkenning.
Ik verlang naar iemand die er is voor mij
Dees kwam niet binnen als iemand die aandacht wilde trekken.
Eerder als iemand die al heel lang niet meer wist hoe ze aandacht moest ontvangen zonder zich schuldig, lastig of afhankelijk te voelen. Ze ging zitten, legde haar tas naast haar stoel en zuchtte alsof ze onderweg naar de praktijk nog drie levens had geleefd. Haar gezicht stond moe. Haar stem was zacht, maar in haar woorden zat een soort opgebouwde teleurstelling.
“Waarom moet ik toch altijd alles alleen doen? Ik ben zoooo moe. Ik zou zo graag willen dat er eindelijk eens iemand voor mij is, die lief is voor me en waar ik mijn hoofd even kan neerleggen.” zei ze.
Daarna bleef het stil.
Niet omdat ze niets meer wist te zeggen, maar omdat die ene zin eigenlijk haar hele leven samenvatte. Dees voelde zich vaak niet gezien. Niet echt. Mensen zagen wel dat ze doorging, dat ze haar afspraken nakwam, dat ze werkte, zorgde, luisterde, meebewoog en zich aanpaste. Ze zagen haar functioneren. Ze zagen haar glimlach. Ze zagen dat ze beschikbaar was wanneer het moest.
Wat ze volgens haar niet zagen, was hoe uitgeput ze was.
Hoeveel pijn ze had.
Hoe vaak ze zich alleen voelde, zelfs tussen mensen.
Hoe vaak ze dacht: wanneer ziet iemand nou eens dat ik dit niet meer trek?
Dees kende de slachtofferrol van binnenuit. Alleen zou ze dat zelf nooit zo noemen. Het woord slachtoffer voelde voor haar hard en beschuldigend, alsof iemand zei dat ze zich aanstelde. Dat was ook precies de verwarring bij deze rol. Er was in Dees werkelijk pijn. Ze had in haar leven echt dingen gemist. Ze was vaak niet geholpen op momenten waarop ze steun nodig had. Ze had geleerd om door te gaan, te slikken, te wachten en te hopen dat iemand op een dag vanzelf zou begrijpen wat zij nodig had.
De pijn was echt. Het patroon dat eruit ontstond, werd later haar gevangenis.
Een leven waarin ze wachtte op erkenning
Voordat Dees in therapie ging, leefde ze vooral in een stille verwachting.
Ze sprak die verwachting meestal niet rechtstreeks uit. Dat vond ze te spannend. Te kwetsbaar. Te afhankelijk. In plaats daarvan hoopte ze dat mensen het zouden aanvoelen. Dat haar vrienden zouden merken dat ze moe was. Dat collega’s zouden zien dat ze te veel droeg. Dat familie zou begrijpen dat haar stilte geen afstand was, maar een vraag om nabijheid. Dat familieleden eindelijk zouden beseffen hoeveel zij al die jaren had ingeslikt.
Wanneer dat niet gebeurde, voelde Dees zich opnieuw alleen.
In haar vriendschappen kon dat er heel klein uitzien. Haar vriendin vroeg op een avond: “Wat wil je eten?” Een gewone vraag. Voor Dees voelde het soms alsof er opnieuw iets bij haar werd neergelegd. Waarom moet ik dit ook weer beslissen? Waarom ziet ze niet dat ik op ben? Waarom neemt ze het niet gewoon even over?
Ze zei dan: “Maakt mij niet uit.”
Maar het maakte haar wel uit.
Ze wilde dat de ander zou voelen dat zij niet nog een keuze wilde maken. Ze wilde dat iemand zou zeggen: “Ga jij maar zitten, ik regel het.” Als dat niet gebeurde, trok ze zich terug. Ze werd stiller, kouder, moeilijker bereikbaar. Soms zei ze later: “Ach wat ben ik toch moe!”
Op haar werk gebeurde iets vergelijkbaars. Dees nam taken aan die eigenlijk te veel waren. Ze zei ja omdat nee zeggen spanning gaf. Ze wilde geen gedoe, geen afwijzing, geen oordeel dat ze moeilijk deed. Daarna raakte ze overbelast en voelde ze zich tekortgedaan. Dan kwam de gedachte: ze gebruiken mij gewoon. Niemand vraagt zich af hoe het met mij gaat.
Toch had ze zelf niet duidelijk gezegd waar haar grens lag.
Dat maakte haar pijn niet minder waar. Het liet wel zien hoe de slachtofferrol werkte. Dees gaf zichzelf weinig ruimte om rechtstreeks te kiezen, vragen of begrenzen. Daarna voelde ze zich machteloos in een situatie die deels door haar eigen aanpassing was blijven bestaan.
Dat was pijnlijk om te zien.
Want voor Dees voelde het alsof zij geen keuze had.
De machteloosheid als oude bescherming
In lichaamsgerichte hechtingstherapie sessies werd langzaam duidelijk dat Dees niet zomaar “passief” was. Haar machteloosheid had een geschiedenis.
Als kind had ze vaak ervaren dat haar gevoel te veel was. Wanneer ze verdrietig was, werd er gezegd dat ze zich niet zo moest aanstellen. Wanneer ze boos was, werd ze lastig gevonden. Wanneer ze iets nodig had, voelde ze al snel dat er geen ruimte voor was. Soms was er letterlijk niemand beschikbaar. Soms waren er wel mensen, maar niet op een manier waarop Dees zich werkelijk gedragen voelde.
Daardoor had ze een oud besluit genomen, zonder dat ze het bewust wist: mijn behoefte heeft weinig zin.
Een kind dat dat leert, stopt meestal niet met verlangen. Het verlangen gaat ondergronds. Het wordt stiller, indirecter, voorzichtiger. Het kind blijft hopen dat iemand het alsnog ziet, maar durft er niet meer open voor te gaan staan. Later, als volwassene, kan dat eruitzien als wachten. Terugtrekken. Zuchten. Stil worden. Denken dat de ander het toch zou moeten weten.
Bij Dees zat de slachtofferrol diep in haar lichaam. Als ze zich niet gezien voelde, zakte haar energie weg. Haar schouders werden smaller. Haar stem verloor kracht. Haar blik ging naar beneden. Ze kon dan bijna niet meer voelen dat ze iets mocht willen. Haar hele systeem leek te zeggen: het heeft toch geen zin.
Die zin had haar vroeger beschermd.
Als je niet verwacht dat iemand komt, hoef je de pijn van teleurstelling minder rechtstreeks te voelen. Als je jezelf klein houdt, lok je misschien minder afwijzing uit. Als je wacht, hoef je het risico niet te nemen om te vragen en mogelijk nee te horen.
Machteloosheid werd een schuilplaats.
Een schuilplaats kan ooit nodig zijn. Later kan ze te klein worden om in te leven.
De verborgen aanklager in het slachtoffer
Dees zag zichzelf vooral als degene die tekortkwam. Toch verscheen er in haar verhalen ook een andere kant. Wanneer ze lang genoeg had gewacht op erkenning, kwam er verwijt.
Dan werd haar taal scherper.
- “Jij ziet mij nooit.”
- “Jij bent er alleen als het jou uitkomt.”
- “Jij laat mij altijd alles alleen doen.”
- “Jij begrijpt gewoon niet hoe zwaar het voor mij is.”
Dat waren de momenten waarop Dees van slachtoffer naar aanklager schoof. Niet luid of explosief, maar wel met lading. Haar pijn kwam naar buiten als beschuldiging. De ander moest voelen wat hij haar had aangedaan. De ander moest erkennen wat hij had gemist. De ander moest nu eindelijk goedmaken wat zij al zo lang tekortkwam.
In de dramadriehoek gebeurt dat vaak. De slachtofferrol lijkt aan de buitenkant zacht of machteloos, maar onder die machteloosheid kan veel woede zitten. Woede over gemis. Woede over niet gezien worden. Woede over alleen dragen. Woede over oude tekorten die nooit een plek hebben gekregen.
Die woede is op zichzelf niet verkeerd. Boosheid kan helpen om weer kracht te voelen. Ze kan een signaal zijn dat iets belangrijk is. Bij Dees kreeg die boosheid alleen vaak een indirecte vorm, we noemen het passieve agressie. En vaak heeft die persoon het niet eens zelf meer door.
Dees sprak haar verlangen niet helder uit, maar liet de ander voelen dat hij tekortgeschoten was. Zo bleef zij in de positie van degene aan wie iets werd aangedaan, terwijl de ander de schuldige werd.
Het stille genot van gelijk hebben
Een moeilijk deel in het proces van Dees was het ontdekken dat er ook iets in haar vasthield aan de slachtofferrol.
Dat vond ze eerst bijna niet te verdragen. Ze dacht dat ik bedoelde dat ze haar pijn verzon. Dat was niet zo. Haar pijn was echt. Haar geschiedenis deed ertoe. Wat we onderzochten, was iets anders: welk deel van haar bleef trouw aan de positie van machteloosheid, ook wanneer er inmiddels kleine volwassen stappen mogelijk waren?
In het lichaamsgerichte hechtingswerk wordt gesproken over innerlijke lagen in de mens. Aan de buitenkant is er vaak een masker. Daaronder liggen minder fraaie gevoelens, zoals eis, boosheid, wraak, trots of de weigering om werkelijk te bewegen. Daaronder ligt de oorspronkelijke pijn. Nog dieper ligt de laag waar liefde, waarheid en echte levenskracht weer voelbaar kunnen worden.
Bij Dees was het masker vaak aangepast en verdrietig: ik ben niet lastig, ik vraag niet veel, ik red me wel, maar niemand ziet mij.
Daaronder zat een eis.
- Jij moet mij zien zonder dat ik hoef te vragen.
- Jij moet mij kiezen zonder dat ik mijn verlangen hoef te tonen.
- Jij moet weten wat ik nodig heb, anders bewijs je opnieuw dat ik er niet toe doe.
Toen Dees dat voor het eerst hardop kon zeggen, schrok ze van zichzelf. Het klonk kinderlijk, vond ze. Dwingend. Onredelijk. Toch was het eerlijk. Onder haar zachte machteloosheid zat een deel dat niet alleen pijn had, maar ook eiste dat de ander haar oude gemis zou herstellen.
Daaronder zat nog een laag die Dees moeilijk vond om eerlijk onder ogen te zien. Er zat ook iets in haar dat het verwijt niet wilde loslaten.
Wanneer iemand haar niet zag, voelde ze pijn. Maar ergens, op een minder fraaie laag, zat er ook een scherp genoegen in om de ander daarop vast te zetten. Zie je wel wat jij doet. Zie je wel hoe alleen jij mij laat. Zie je wel dat jij tekortschiet.
Dat verwijt gaf haar even kracht. Het haalde haar uit de machteloosheid en zette de ander op de plek van de schuldige. Zolang Dees daar bleef, hoefde ze haar eigen diepere gevoel niet helemaal toe te laten: de angst om rechtstreeks te vragen, de schaamte over haar verlangen, het verdriet dat ze misschien opnieuw niet gekozen zou worden.
Daarin zat haar negatieve plezier. Niet omdat ze bewust gemeen wilde zijn, maar omdat het ergens opluchtte om de ander verantwoordelijk te maken voor haar pijn. Het was veiliger om te verwijten dan om te zeggen: ik verlang naar je, ik ben bang dat ik er niet toe doe, ik weet niet hoe ik zichtbaar moet worden zonder mij klein te voelen.
Bij Dees werd dit een belangrijk keerpunt. Ze begon te zien dat haar slachtofferrol niet alleen iets was wat haar overkwam. Er zat ook een deel in haar dat vasthield aan het verwijt, omdat ze dan haar eigen kwetsbaarheid nog niet helemaal hoefde te voelen. Ze was even geen slachtoffer meer, maar werd een dader.
De pijn waar ze niet bij wilde komen
Onder het wachten, verwijten en gelijk krijgen lag bij Dees een veel diepere pijn.
Die pijn kwam niet meteen. Eerst kwam moeheid. Daarna irritatie. Daarna verdriet over de ander. Pas later kwam het verdriet over zichzelf.
Tijdens een sessie vertelde ze over een avond waarop haar toenmalige partner thuiskwam en nauwelijks vroeg hoe haar dag was geweest. Ze had zich teruggetrokken, kortaf gereageerd en later gezegd dat hij er nooit echt voor haar was. Haar partner werd defensief, zij werd stiller, en de avond eindigde met afstand.
In de therapie vertraagden we dat moment.
Wat gebeurde er precies toen hij binnenkwam?
Ze vertelde dat ze op de bank zat en al hoopte dat hij naar haar toe zou komen. Dat hij zou zien dat ze moe was. Dat hij zou vragen: “Wat is er?” Niet vluchtig, maar echt. Toen hij dat niet deed, voelde ze iets in haar borst zakken. Daarna kwam de gedachte: laat maar. Ik wist het wel.
Ik vroeg haar om daar te blijven. Niet bij zijn tekort. Niet bij de discussie. Bij dat zakkende gevoel.
Na een tijdje zei ze: “Ik voel me zo alleen.”
Daarna kwamen de tranen.
Niet de tranen van verwijt, maar van gemis. Van het kind in haar dat zo vaak had gehoopt dat iemand uit zichzelf zou komen. Dat iemand zou zien wat ze niet durfde te vragen. Dat iemand haar zou kiezen zonder dat ze eerst sterk, makkelijk of aangepast hoefde te zijn.
Dat verdriet had ze jarenlang niet rechtstreeks gevoeld. Ze had eromheen geleefd. Ze had gewacht, gehoopt, gezucht, aangeklaagd, zich teruggetrokken en zichzelf verteld dat niemand haar zag. Al die bewegingen hadden één functie: haar beschermen tegen het rauwe gevoel van verlangen.
Want verlangen was gevaarlijk.
Verlangen kon worden afgewezen.
Verlangen kon belachelijk worden gemaakt.
Verlangen kon zichtbaar maken hoe diep ze iemand nodig had.
Van “jij ziet mij niet” naar “ik verlang”
Een grote verandering in Dees begon in haar taal.
Eerst sprak ze veel in zinnen die met “jij” begonnen. Jij ziet mij niet. Jij laat mij alleen. Jij neemt mij niet serieus. Jij vraagt te veel. Jij begrijpt niet hoe zwaar het is.
Die zinnen waren begrijpelijk. Ze lieten zien waar de pijn zat. Toch hielden ze haar ook vast in de driehoek. De ander bleef degene die het moest oplossen. De ander bleef degene die schuld had. Dees bleef degene die wachtte op erkenning.
Langzaam ging ze oefenen met andere zinnen.
- “Ik merk dat ik me alleen voel, mag ik je even bellen?”
- “Ik vind het spannend om te zeggen dat ik steun nodig heb, maar doe het toch.”
- “Ik verlang ernaar dat je even bij me komt zitten, heb je daar ruimte voor?.”
- “Ik ben bang dat ik te veel ben, en ik ga toch vragen of ik mag blijven.”
- “Ik merk dat ik boos word, omdat ik eigenlijk hoopte dat je mij vanzelf zou zien., maar dat is niet fair, dat is mijn gedachte en oude gedrag. Heb je even tijd voor me om me vast te houden? ”
Dat waren eenvoudige zinnen. Voor Dees voelde het alsof ze over een ravijn liep.
Want met zo’n zin kon ze niet meer schuilen achter verwijt. Ze werd zichtbaar. Ze liet haar verlangen zien. Ze nam verantwoordelijkheid voor wat er in haar gebeurde, zonder haar pijn weg te poetsen.
Dat is iets anders dan alles zelf moeten oplossen. Dees hoefde niet te doen alsof ze niemand nodig had. Ze mocht juist erkennen dat ze behoefte had aan contact, steun en gezien worden. Het verschil was dat ze leerde haar behoefte open te dragen in plaats van haar via verwijt, stilte of machteloosheid bij de ander neer te leggen.
Het lichaam dat weer kracht moest leren voelen
Dees had niet alleen nieuwe woorden nodig. Haar lichaam moest opnieuw ervaren dat zij invloed had.
Wanneer zij in de slachtofferrol zakte, werd haar lichaam zwaar. Haar stem werd vlak. Haar armen lagen slap in haar schoot. Ze voelde vooral moeheid, leegte en druk achter haar ogen. Als ik haar vroeg wat ze wilde, wist ze het niet. Als ik vroeg wat ze voelde, zei ze vaak: “Ik weet het niet, gewoon op.”
In lichaamsgerichte hechtingstherapie gingen we niet meteen naar grote beslissingen. Eerst ging het om kleine ervaringen van aanwezigheid. Haar rug tegen de leuning voelen. Haar handen op haar bovenbenen. Merken dat haar stem iets steviger werd wanneer ze een zin langzaam uitsprak. Voelen dat boosheid niet meteen gevaarlijk was, maar ook kracht kon geven.
Soms oefende ze met één zin.
“Ik wil dit niet.”
In het begin zei ze die zin bijna verontschuldigend. Alsof ze meteen wilde toevoegen dat het niet erg was, dat ze het ook wel begreep, dat de ander er niets aan kon doen. Langzaam werd de zin eenvoudiger.
“Ik wil dit niet.”
Daar kwam energie in. Niet hard. Niet aanvallend. Wel duidelijk.
Voor Dees was dat nieuw. Ze ontdekte dat kracht niet hetzelfde was als iemand pijn doen. Boosheid kon ook betekenen dat ze zichzelf eindelijk serieus nam. Dat ze niet hoefde te verdwijnen in begrip voor de ander. Dat ze niet hoefde te wachten tot iemand haar redde voordat ze een stap kon zetten.
Haar lichaam moest leren dat volwassen invloed veilig kon zijn.
Bellein Essence: niet meer verdwijnen in de groep
Na een periode van individuele therapie besloot Dees mee te doen aan de tweejarige training Bellein Essence. Ze twijfelde lang. Een groep vond ze spannend. In een groep kon ze zich snel vergeten voelen. Ze kende haar oude beweging al: kijken wie meer ruimte innam, voelen dat zij geen plek had, stil worden, wachten tot iemand haar zag en daarna teleurgesteld raken wanneer dat niet gebeurde.
Precies daarom wilde ze gaan.
In de training werd haar patroon zichtbaar op een manier die ze niet meer kon wegdenken. Tijdens een oefening merkte ze dat ze iets wilde zeggen, maar ze wachtte. Iemand anders begon te praten. Dees voelde direct de oude pijn: zie je wel, voor mij is er geen ruimte.
Vroeger zou ze stiller worden. Misschien later tegen iemand zeggen dat ze zich niet gezien voelde. Misschien denken dat de begeleiding haar had moeten opmerken. Nu bleef ze iets langer bij zichzelf.
Ze voelde de druk op haar borst.
Ze voelde de neiging om te verdwijnen.
Ze voelde ook een kleine impuls om haar hand op te steken.
Dat deed ze.
Haar stem trilde toen ze zei: “Ik merk dat ik wacht tot iemand mij uitnodigt, en ondertussen word ik boos omdat niemand dat doet.”
Dat was een grote zin.
Ze klaagde niemand aan. Ze maakte zichzelf niet kleiner. Ze bracht precies het patroon in contact. De groep werd stil. Niet afwijzend, maar aandachtig. Voor Dees was dat nieuw: zichtbaar zijn zonder verwijt, en toch blijven.
In Bellein Essence oefende ze vaker met die beweging. Niet wachten tot de ander haar redde. Niet haar pijn inslikken tot die veranderde in verwijt. Niet verdwijnen en achteraf hopen dat iemand haar afwezigheid begreep. Ze leerde eerder spreken, kleiner vragen, helderder voelen.
Soms lukte dat. Soms niet. Oude patronen zijn taai, zeker wanneer ze ooit verbonden waren met hechting en veiligheid. Maar Dees kreeg steeds vaker een nieuwe ervaring: als ik mijzelf laat zien, hoef ik niet te sterven van schaamte. Als iemand mij niet meteen geeft wat ik verlang, kan ik toch bij mezelf blijven. Als mijn behoefte niet wordt vervuld, betekent dat niet dat ik niet besta.
Dat gaf haar langzaam waardigheid terug.
Dees ontdekte haar eigen aandeel
Een van de belangrijkste momenten in haar proces kwam toen Dees kon zeggen: “Ik heb mensen ook laten falen.”
Dat was geen zelfverwijt. Het was een volwassen inzicht.
Ze zag dat ze vaak hoopte dat anderen precies zouden aanvoelen wat ze nodig had, zonder dat zij het hoefde te zeggen. Als ze dat niet deden, voelde ze zich opnieuw verlaten. Daarmee zette ze de ander onbewust voor een bijna onmogelijke taak. Ze verlangde naar liefde, maar gaf weinig ingang. Ze verlangde naar steun, maar liet niet zien waar. Ze verlangde naar nabijheid, maar trok zich terug zodra het spannend werd.
Dat inzicht deed pijn.
Ze had lang gedacht dat haar probleem vooral was dat anderen haar niet zagen. Nu begon ze te begrijpen dat zij zichzelf ook had verborgen. Niet expres. Niet uit onwil. Als bescherming. Maar het effect was wel dat niemand werkelijk dichtbij kon komen.
Daarmee kwam verantwoordelijkheid terug. Geen harde verantwoordelijkheid waarin ze zichzelf moest beschuldigen, maar volwassen verantwoordelijkheid: dit is mijn patroon, dit is mijn pijn, dit is mijn beweging, en hier kan ik iets nieuws oefenen.
Je zou kunnen zeggen: Dees begon de overgang te maken van het vasthouden aan het oude verhaal naar het kiezen voor waarheid. Waarheid was niet dat de ander altijd fout was. Waarheid was ook niet dat zij alles zelf had veroorzaakt. Waarheid was dat haar oude pijn echt was, dat haar eis begrijpelijk was, dat haar verwijt een functie had, en dat haar vrijheid begon waar ze haar eigen aandeel durfde te zien.
Van slachtoffer naar mens met invloed
Dees werd geen hard iemand.
Ze hoefde niet te veranderen in iemand die alles zelf kon, niemand nodig had en nooit meer geraakt werd. Dat zou alleen een nieuw masker zijn. Haar gevoeligheid bleef. Haar verlangen naar nabijheid bleef. Haar pijn om niet gezien worden kon nog steeds geraakt worden.
Het verschil was dat ze minder vaak verdween in machteloosheid.
Ze leerde voelen: ik kan pijn hebben en toch spreken. Ik kan verlangen en toch blijven. Ik kan boos zijn zonder de ander meteen tot schuldige te maken. Ik kan teleurgesteld zijn en toch onderzoeken wat mijn volgende stap is.
In haar vriendschappen ging ze oefenen met directer zijn. “Ik heb behoefte aan een kwartier echte aandacht vanavond.” Dat vond ze in het begin bijna gênant. Toch werkte het beter dan wachten tot de ander het vanzelf begreep.
Op haar werk zei ze vaker: “Dit past niet meer in mijn week.” Niet met een lange uitleg, niet met een verontschuldiging die alles weer openzette, maar als duidelijke informatie.
In vriendschappen begon ze te merken bij wie ze werkelijk kon landen en bij wie ze vooral bleef hopen op iets wat er niet kwam. Ook daar kwam rouw. Want invloed nemen betekent soms dat je stopt met trekken aan gesloten deuren.
Dat was verdrietig.
Het was ook eerlijker.
De slachtofferrol loslaten zonder je pijn te verraden
Veel mensen zijn bang dat ze hun slachtofferrol alleen kunnen loslaten door hun pijn te verloochenen. Alsof volwassen worden betekent dat je moet zeggen: het viel allemaal wel mee.
Voor Dees was het tegenovergestelde waar.
Ze kon de slachtofferrol pas loslaten toen haar pijn eindelijk serieus genomen werd. Niet alleen door de ander, maar vooral door haarzelf. Zolang ze bleef wachten tot iemand anders haar pijn zou erkennen, bleef ze gevangen. Toen ze zelf kon zeggen: ja, dit heeft mij geraakt, ja, ik heb gemist wat ik nodig had, ja, ik ben boos en verdrietig, kwam er ruimte.
Daarna kwam de volwassen vraag: en wat doe ik nu?
Die vraag is eenvoudig en vaak heel moeilijk.
Ze vraagt dat je stopt met wachten op de ideale ouder, partner, vriend of therapeut die precies weet wat jij nodig hebt zonder dat jij zichtbaar hoeft te worden. Ze vraagt dat je je verlangen gaat dragen zonder het als eis bij de ander neer te leggen. Ze vraagt dat je leert voelen dat teleurstelling pijn doet, maar je niet hoeft terug te duwen in machteloosheid.
Dees ontdekte dat ze zichzelf niet hoefde te redden door sterk te doen.
Ze moest zichzelf terughalen uit de wachtstand.
De vrouw die zichzelf begon te kiezen
Aan het einde van haar eerste jaar proceswerk zei Dees iets wat veel zei over de verschuiving.
“Ik dacht altijd dat ik wilde dat iemand mij kwam halen. Nu voel ik dat ik zelf ook moet opstaan.”
Dat was geen harde zin. Er zat geen afwijzing in van haar oude pijn. Er zat juist iets waardigs in. Ze hoefde het kleine meisje in haar niet achter te laten. Ze hoefde haar verdriet niet te overschreeuwen. Ze hoefde haar verlangen niet belachelijk te maken.
Ze begon alleen te begrijpen dat wachten op redding haar leven klein hield.
Dees werd meer aanwezig. In haar stem kwam meer helderheid. Haar gezicht werd opener. Ze kon nog steeds geraakt worden wanneer iemand haar miste, maar ze verdween minder vaak. Ze kon zeggen wat ze nodig had voordat haar pijn veranderde in verwijt. Ze kon voelen wanneer ze in de oude zin zakte, het heeft toch geen zin, en toch een kleine stap zetten.
De slachtofferrol in haar hoefde niet bestraft te worden. Die had ooit geprobeerd haar te beschermen tegen nog meer afwijzing. Maar die rol mocht niet langer haar leven besturen.
Dees leerde dat haar pijn recht had op erkenning.
Haar verlangen recht had op woorden.
Haar boosheid recht had op richting.
Haar volwassen zelf recht had op invloed.
Dat is de beweging uit de slachtofferrol. Niet jezelf harder maken. Niet doen alsof je niets nodig hebt. Niet je geschiedenis overslaan. Wel leren dat je niet hoeft te blijven wonen in wat je is overkomen.
Dees was werkelijk gekwetst.
Ze was werkelijk vaak alleen geweest.
Ze had werkelijk veel gemist.
Toch was zij niet alleen haar gemis.
Daar begon haar vrijheid.
Zelf hiermee aan de slag? Meld je nu aan voor een kennismakingsworkshop of themadag.










