
Waarom word ik zo boos als anderen geen verantwoordelijkheid nemen?
Herken je dat je razendsnel ziet wat er misgaat? Dat je precies kunt aanwijzen waar iemand iets laat liggen, wegdraait, zijn afspraak vergeet of doet alsof er niets aan de hand is? Misschien word je dan fel. Je stem wordt scherper, je woorden harder, en voordat je het weet zit je in een gesprek waarin de ander zich verdedigt en jij alleen maar bozer wordt. In de dramadriehoek wordt dit de rol van de aanklager genoemd. Dat klinkt hard, maar onder die rol zit vaak iets heel menselijks: oude pijn, grensverlies, teleurstelling en een diep verlangen dat iemand eindelijk zijn verantwoordelijkheid neemt.
Ik word gek van mensen die hun verantwoordelijkheid niet nemen
Hennie kwam binnen met een zin die hij waarschijnlijk al vaak had uitgesproken, thuis, op zijn werk, tegen vrienden, misschien ook binnensmonds in de auto of onder de douche, wanneer een gesprek allang voorbij was maar in hem nog doorging.
“Marjolein, ik word gek van mensen die hun verantwoordelijkheid niet nemen.”
Hij ging zitten, maar zijn lijf bleef eigenlijk staan. Zijn rug recht, zijn kaak strak, zijn blik wakker. Alles aan hem leek voorbereid op een tegenwerping. Alsof hij bij voorbaat al wist dat hij zichzelf moest verdedigen.
Hij vertelde over collega’s die afspraken niet nakwamen, over familieleden die altijd wegdoken, over zijn ex-partner die volgens hem nooit echt eerlijk was geweest, over mensen die mooie woorden gebruikten maar uiteindelijk niets deden. Hennie had daar een scherp oog voor. Hij kon feilloos benoemen waar iemand draaide, vermeed, halve waarheden vertelde of zich verschool achter omstandigheden.
Vaak had hij inhoudelijk een punt.
Dat maakte het ingewikkeld.
Want het probleem bij Hennie was niet dat hij nooit iets waars zag. Het probleem was dat hij, zodra hij geraakt werd, zijn waarheid begon te gebruiken als een soort wapen. Hij wilde dat de ander zou voelen wat die had gedaan. Hij wilde erkenning, maar zijn toon maakte erkenning bijna onmogelijk. Hij verlangde naar contact, maar zijn woorden duwden de ander de beklaagdenbank in.
Dan werd het gesprek dun.
De ander moest toegeven.
Hennie moest gelijk krijgen.
De pijn waar het werkelijk over ging, bleef buiten beeld.
Een leven waarin hij altijd klaarstond om te corrigeren
Voordat Hennie in therapie ging, leefde hij met een voortdurende alertheid op fouten, ontwijking en onrecht. Hij noemde dat zelf helderheid. Hij vond het belangrijk dat mensen eerlijk waren. Afspraak is afspraak. Woorden moeten kloppen. Als iemand iets belooft, moet hij het doen. Als iemand iets verkeerd doet, moet hij dat toegeven. Daar was op zichzelf niets mis mee.
Alleen stond Hennie bijna altijd aan.
In een teamoverleg merkte hij meteen wie zich achter vage taal verschool. Als een collega zei: “Ik kijk er nog even naar,” hoorde Hennie vooral: je gaat het weer laten liggen. Als iemand een deadline miste, voelde dat voor hem niet als een praktische fout, maar als gebrek aan karakter. Dan kon hij scherp worden.
“Jij zegt steeds dat je het oppakt, maar uiteindelijk gebeurt er niets.”
Daar zat frustratie in, maar ook iets dwingends. De ander moest zich verantwoorden. Nu. Helemaal. Zonder uitvlucht.
In vriendschappen gebeurde hetzelfde, vaak subtieler. Als iemand later reageerde op een bericht, kon Hennie doen alsof het hem niets uitmaakte. Maar vanbinnen begon er iets te rekenen. Zie je wel. Ik ben weer degene die het serieus neemt. Als iemand een afspraak verplaatste, zei hij misschien: “Prima hoor.” Alleen klonk het niet prima. De ander voelde de lading, maar wist niet precies waar hij aan toe was.
In relaties werd het scherper. Wanneer zijn partner iets vergat, iets niet vertelde of volgens hem te makkelijk over een afspraak heen stapte, voelde Hennie onmiddellijk spanning. Zijn stem kreeg een andere rand. Hij stelde vragen die eigenlijk geen vragen meer waren.
“Wanneer was je van plan dit te vertellen?”
“Vind jij dit normaal?”
“Hoe vaak moet ik dit nog zeggen?”
Hij zei dat hij duidelijkheid wilde. Dat was ook zo. Maar onder die duidelijkheid zat een veel diepere noodzaak: hij wilde voorkomen dat hij opnieuw in een positie kwam waarin hij afhankelijk was van iemand die hij niet kon vertrouwen. Daar zat de oude pijn.
De aanklager als bescherming tegen kwetsbaarheid
In lichaamsgerichte hechtingstherapie werd langzaam zichtbaar dat Hennies aanklacht een bescherming was. Hij had zichzelf niet aangeleerd om kwetsbaar te zeggen: “Ik ben bang dat ik er alleen voor sta.” Hij had geleerd om scherp te worden.
Als kind had Hennie vaak te maken gehad met onduidelijkheid. Dingen werden beloofd en niet gedaan. Er werd gedraaid om de waarheid. Soms voelde hij dat er iets niet klopte, terwijl volwassenen zeiden dat hij zich vergiste. Zijn gevoel voor waarheid werd daardoor steeds scherper, maar ook eenzamer. Hij leerde: als ik niet oplet, word ik overrompeld. Als ik niet scherp ben, kom ik klem te zitten. Als ik de ander niet vastzet op feiten, glipt die weg.
Dat oude systeem werkte nog steeds.
Wanneer iemand nu iets vergat of ontweek, reageerde Hennie niet alleen op het heden. Zijn hele geschiedenis ging mee aan tafel zitten. Zijn lijf spande zich aan voordat hij kon nadenken. Zijn kaken zetten zich vast. Zijn borst kwam iets naar voren. Zijn vinger wees soms al voordat hij zijn zin had afgemaakt. Zijn stem werd strakker, sneller, preciezer.
Hij voelde zich dan krachtig.
Eindelijk helder.
Eindelijk degene die de waarheid zei.
Alleen was er op dat moment ook iets anders aan de hand. Hennie hoefde zijn eigen kwetsbaarheid niet te voelen. Hij hoefde niet te voelen hoe bang hij was dat iemand hem opnieuw zou laten vallen. Hij hoefde niet te voelen hoe pijnlijk het was om te verlangen naar betrouwbaarheid. Hij hoefde niet te voelen dat hij misschien iets nodig had van de ander.
De aanklacht hield hem overeind.
Het hield hem ook alleen.
De verborgen eis onder zijn boosheid
Bij Hennie was de buitenkant vaak: jij moet verantwoordelijkheid nemen.
Daar was niets mis mee wanneer er werkelijk iets hersteld moest worden. In volwassen contact mag je iemand aanspreken. Je mag zeggen dat een afspraak belangrijk voor je is. Je mag benoemen dat iets pijnlijk of onzorgvuldig was. Je mag grenzen hebben.
Toch zat er onder Hennies aanklacht vaak een eis die verder ging dan de situatie zelf.
- Jij moet toegeven dat jij fout zit.
- Jij moet voelen hoeveel pijn jij mij doet.
- Jij moet laten zien dat ik gelijk heb.
- Jij moet ervoor zorgen dat ik mij nooit meer alleen of onzeker hoef te voelen.
Die laatste zin was de kern.
Hennie dacht dat hij verantwoordelijkheid eiste. In werkelijkheid eiste hij vaak zekerheid. Hij wilde dat de ander zijn oude onveiligheid zou wegnemen door volledig te erkennen, volledig te herstellen, volledig betrouwbaar te zijn en nooit meer iets te doen waardoor Hennie de controle verloor.
Dat kon niemand waarmaken.
Wanneer iemand dat niet waarmaakte, werd zijn aanklacht harder. Hij kon blijven herhalen wat de ander had gedaan. Hij kon oude voorbeelden erbij halen. Hij kon zinnen tot op het bot ontleden. Soms had hij gelijk over de feiten en verloor hij toch het contact met de mens tegenover hem.
In het lichaamsgerichte hechtingswerk kijken we dan naar de innerlijke lagen onder het zichtbare gedrag. Aan de buitenkant zat bij Hennie het masker van de rechtvaardige mens: ik ben eerlijk, ik ben duidelijk, ik zeg waar het op staat. Daaronder zat een hardere laag: boosheid, trots, wraak, de weigering om zijn eigen angst te voelen en de sterke wil dat de ander zou buigen. Daaronder lag de pijn waar hij nauwelijks bij kon komen.
Die pijn zei iets heel anders dan zijn aanklacht.
- Blijf je wel bij me als ik niet boos word?
- Neem je mij ook serieus als ik niet hoef te vechten?
- Ben ik veilig bij jou als ik laat zien dat ik geraakt ben?
Het scherpe genoegen van de ander vastzetten
Een moeilijk stuk in Hennies proces was het ontdekken van zijn negatieve plezier.
Dat klinkt onaardig, maar het is een belangrijke laag. Negatief plezier betekent dat er ergens, op een minder bewuste laag, ook een scherp genoegen zit in het negatieve gedrag dat iemand laat zien. Niet omdat iemand diep vanbinnen slecht is, maar omdat die beweging iets oplevert: kracht, controle, afstand, gelijk, bescherming tegen pijn.
Bij Hennie zat dat genoegen in het vastzetten van de ander.
Wanneer iemand iets had laten liggen, kon hij voelen hoe er een felle energie in hem opkwam. Nu ga jij niet meer wegkomen. Nu ga jij voelen wat je gedaan hebt. Nu ga jij niet draaien, niet relativeren, niet ontsnappen. Hij kon dan messcherp worden. Elk woord van de ander werd bewijsmateriaal. Elke nuance werd verdacht. Elke poging tot uitleg klonk als ontkenning.
Dat gaf hem even macht.
Hij was niet meer de jongen die afhankelijk was van onbetrouwbare volwassenen. Hij was degene die het dossier op tafel legde. Degene die aanklaagde. Degene die de ander liet zweten.
Daarin zat zijn negatieve plezier. Zolang Hennie de ander kon vastzetten, hoefde hij zijn eigen zachtere waarheid niet te voelen. De angst dat hij er alleen voor stond. De schaamte dat hij zoveel behoefte had aan betrouwbaarheid. Het verdriet dat hij vroeger zo vaak niemand had gehad die zijn werkelijkheid bevestigde. De pijn dat hij verlangde naar iemand bij wie hij zijn waakzaamheid kon laten zakken.
Het verwijt gaf hem tijdelijk kracht.
Daarna bleef hij eenzaam achter.
Wanneer gelijk krijgen contact vervangt
Hennie had vaak gelijk over details. Dat werd bijna een valkuil. Want zolang hij zich op de feiten kon richten, hoefde hij niet te voelen wat het conflict met hem deed.
Hij kon precies herhalen wat iemand had gezegd.
Op welke dag.
In welke volgorde.
Met welke tegenstrijdigheid.
Zijn hoofd werkte snel. Zijn taal was scherp. Hij kon een gesprek terugbrengen tot bewijsvoering, alsof hij in een rechtszaal stond. De ander werd verdachte, Hennie werd aanklager, en de relatie werd een dossier.
In de praktijk vroeg ik hem soms: “Wat gebeurt er met jou terwijl je dit vertelt?”
Dan kwam er eerst irritatie.
“Dat zeg ik toch net?”
Maar hij had vooral verteld wat de ander had gedaan. Hij had nog niet gevoeld wat het met hem deed.
Wanneer we vertraagden, merkte hij hoe moeilijk die vraag was. Onder zijn boosheid zat vaak spanning in zijn borst en een harde druk in zijn buik. Soms werd zijn keel strak. Soms kwam er een onverwachte vermoeidheid. Zijn lichaam liet zien dat hij niet alleen kwaad was. Hij was ook geraakt.
Dat was een andere ingang.
Niet: wat heeft de ander fout gedaan?
Maar: wat gebeurt er in mij wanneer dit gebeurt?
Die vraag vond Hennie in het begin bijna irritant. Alsof hij de ander vrijpleitte. Dat was niet zo. Het ging er niet om dat de ander geen verantwoordelijkheid meer had. Het ging erom dat Hennie zijn eigen binnenwereld terugvond, zodat zijn waarheid niet langer alleen als aanval naar buiten kwam.
De pijn achter de aanklacht
Tijdens een sessie vertelde Hennie over een vriend die een afspraak op het laatste moment had afgezegd. De vriend had een drukke week gehad en stuurde een kort bericht. Hennie had teruggeschreven: “Laat maar, ik weet genoeg.”
Daarna had hij niets meer laten horen.
Toen hij het vertelde, klonk hij hard. De vriend was volgens hem onbetrouwbaar. Mensen moesten gewoon zeggen waar het op stond. Je kon niet steeds rekenen op begrip als je zelf geen rekening hield met anderen. Hij had er genoeg van.
We vertraagden het moment waarop hij het bericht las.
Wat gebeurde er precies?
Eerst kwam de boosheid. Zijn handen spanden zich aan. Zijn gezicht werd strak. Hij zei: “Ik dacht meteen: daar gaan we weer.”
Daarna bleef het even stil.
Ik vroeg hem om niet naar de vriend te gaan, maar naar dat zinnetje: daar gaan we weer.
Waar kende hij dat van?
Toen zakte zijn blik.
Hij vertelde over vroeger. Over wachten. Over beloftes die niet doorgingen. Over volwassenen die zeiden dat iets zou gebeuren en daarna deden alsof het niet belangrijk was. Over het gevoel dat hij zich had voorgenomen nooit meer zo afhankelijk te zijn van iemands grilligheid.
Bij dat woord, afhankelijk, veranderde er iets in zijn gezicht.
Hij was even niet de aanklager.
Hij was de jongen die had gewacht.
Die overgang was klein, maar wezenlijk. Hennie voelde voor het eerst niet alleen de woede over het afzeggen. Hij voelde het oude verdriet dat daaronder lag. De teleurstelling. De eenzaamheid. De angst dat hij voor de ander minder belangrijk was dan hij had gehoopt.
Daar kwam geen lange zin uit.
Alleen: “Ik vond het gewoon rot.”
Dat was voor Hennie bijna naakt.
Van “jij doet dit fout” naar “ik ben geraakt”
Een grote verandering in Hennies proces begon in zijn taal.
Eerst sprak hij vooral in zinnen die de ander vastzetten.
- “Jij neemt je verantwoordelijkheid niet.”
- “Jij draait eromheen.”
- “Jij luistert nooit.”
- “Jij maakt er weer mijn probleem van.”
- “Jij doet precies wat iedereen altijd doet.”
Die zinnen hadden kracht, en soms zat er een kern van waarheid in. Toch brachten ze hem steeds opnieuw in de dramadriehoek. De ander werd schuldige, Hennie werd aanklager, en zijn eigen pijn bleef verborgen achter de aanklacht.
Langzaam ging hij oefenen met andere zinnen.
- “Ik merk dat ik boos word, omdat deze afspraak belangrijk voor mij was, maar ik wil niet boos worden en raakt me gewoon dat de afspraak wordt afgezegd.”
- “Ik schiet meteen in wantrouwen als iets op het laatste moment verandert, dat is mijn oude pijn. Is het goed als we een nieuwe afspraak maken?”
- “Ik wilde je aanspreken op wat er gebeurde, maar ik wil bij mezelf blijven.”
- “Ik ben geraakt en mijn eerste neiging is om je vast te zetten. Doe wil ik niet meer doen”
- “Ik verlang naar betrouwbaarheid, en ik vind het moeilijk om dat te zeggen zonder hard te worden.”
Voor Hennie voelden zulke zinnen eerst slap. Alsof hij zijn scherpte verloor. Alsof de ander ermee wegkwam. Toch ontdekte hij iets anders. Wanneer hij zo sprak, werd hij duidelijker. Niet harder, wel echter.
Hij hoefde zijn grens niet op te geven.
Hij hoefde zijn boosheid niet weg te maken.
Hij hoefde de ander niet te vernederen om zichzelf serieus te nemen.
Dat was nieuw.
Boosheid als grens, niet als wapen
Hennie had zijn boosheid lang vertrouwd als wapen. Ze gaf hem energie, helderheid en richting. Hij voelde zich dan niet afhankelijk. Niet klein. Niet onzeker. Boosheid zette hem rechtop.
In lichaamsgerichte therapie ging hij ontdekken dat boosheid ook anders kan werken. Boosheid kan een grens aangeven zonder de ander te beschadigen. Ze kan zeggen: dit klopt niet voor mij. Dit doet ertoe. Hier wil ik eerlijk over zijn. Ze hoeft niet meteen te hakken, te bewijzen of te winnen.
Dat moest zijn lichaam leren.
Wanneer Hennie boos werd, schoot zijn energie vaak omhoog. Zijn borst naar voren, kaken vast, stem hoger en sneller. Hij ging dan praten vanuit lading. We oefenden met vertragen. Zijn voeten voelen. Zijn adem afmaken. Zijn handen niet gebruiken om te wijzen, maar om te voelen hoeveel kracht er in hem zat. De zin korter maken.
“Ik ben boos.”
Meer niet.
Daarna: “Deze afspraak was belangrijk voor mij.”
Daarna pas: “Ik wil dat je dit serieus neemt.”
Dat leek eenvoudig. Voor Hennie was het intens. Want als hij zijn woorden minder scherp maakte, voelde hij ineens meer van zichzelf. Zijn boosheid werd breder. Er kwam verdriet bij. Soms schaamte. Soms de angst dat de ander hem alsnog niet serieus zou nemen.
Daar zat de oefening.
Niet harder worden.
Blijven.
Bellein Essence: de aanklager in contact leren kennen
Na een periode van individuele therapie koos Hennie voor de vierjarige beroepsopleiding tot lichaamsgericht hechtingstherapeut te volgen. Een groep vond hij interessant en irritant tegelijk. Interessant omdat hij graag wilde leren. Irritant omdat groepen veel ruimte geven aan menselijke onhandigheid. Mensen praten door elkaar. Iemand neemt te veel plek. Iemand anders zegt niets. Begeleiding maakt een keuze die hij anders zou doen. Precies daar werd zijn patroon zichtbaar.
Tijdens een oefening vertelde iemand uit de groep aarzelend over een conflict. Hennie voelde meteen spanning opkomen. Hij vond dat die persoon om de hete brij heen draaide. Zijn hoofd maakte al zinnen. Zeg gewoon wat je gedaan hebt. Neem je verantwoordelijkheid. Stop met dat vage gedoe.
Vroeger zou hij hebben ingegrepen. Misschien met een scherpe vraag. Misschien met een opmerking die klonk als helderheid, maar geladen was met irritatie. Nu probeerde hij te blijven zitten.
Hij voelde zijn kaak.
Zijn borst.
Zijn neiging om de ander wakker te schudden.
Toen zei hij, na een tijdje: “Ik merk dat ik je wil gaan corrigeren. En ik weet dat daar iets van mij in zit.”
Dat was een andere beweging.
De groep werd niet aangevallen. De ander hoefde zich niet meteen te verdedigen. Hennie bracht zijn aanklager in bewustzijn zonder hem het stuur te geven.
Later in die oefening ontdekte hij dat het verhaal van de ander iets raakte aan zijn eigen geschiedenis. Iemand die vaag bleef. Iemand die niet helder zei wat hij had gedaan. Voor Hennie voelde vaagheid als gevaar. Dat was zijn eigen ingang. Vanuit dat inzicht kon hij nog steeds eerlijk zijn, maar minder vernietigend.
In de opleiding oefende hij vaker met die overgang. Eerst voelen wat in hem geraakt werd. Daarna pas spreken. Eerst zijn grens voelen. Daarna woorden zoeken. Eerst verantwoordelijkheid nemen voor zijn eigen lading. Daarna de ander aanspreken op diens gedrag.
Dat was geen braafheid.
Het was volwassen kracht.
Hennie ontdekte zijn eigen aandeel
Een van de moeilijkste momenten voor Hennie kwam toen hij kon zeggen: “Ik maak mensen soms zo bang dat ze juist niet eerlijker worden.”
Die zin kwam niet makkelijk.
Hij had lang gedacht dat anderen eerlijker moesten worden. Dat was deels waar. Toch begon hij te zien dat zijn manier van aanspreken vaak precies opriep wat hij haatte. Mensen gingen verdedigen, dichtklappen, pleasen, ontwijken of halve waarheden vertellen, omdat zijn aanval weinig ruimte liet om menselijk te blijven.
Dat inzicht deed pijn.
Hennie wilde betrouwbaarheid, maar zijn felheid maakte nabijheid moeilijk. Hij wilde waarheid, maar zijn toon maakte het voor de ander onveilig om eerlijk te worden. Hij wilde verantwoordelijkheid, maar nam zelf niet altijd verantwoordelijkheid voor de impact van zijn woorden.
Daar kwam volwassenheid terug.
Geen zelfafbraak. Geen “het ligt allemaal aan mij”. Wel eerlijkheid: dit is mijn aandeel. Dit is mijn lading. Dit is mijn neiging om de ander vast te zetten. Dit is waar mijn grens eindigt en mijn aanval begint.
In de taal van het innerlijke werk begon Hennie de beweging te maken van gelijk naar waarheid. Gelijk ging over winnen. Waarheid ging over zien wat er werkelijk gebeurde, in de ander én in hemzelf.
Dat verschil veranderde zijn relaties.
De aanklager loslaten zonder je grens te verliezen
Veel mensen die zichzelf herkennen in Hennie zijn bang dat ze hun aanklager alleen kunnen loslaten door zachter te worden op een manier die niet klopt. Alsof ze voortaan alles moeten begrijpen, relativeren of inslikken.
Voor Hennie werkte het precies andersom.
Hij werd niet minder duidelijk.
Hij werd zuiverder duidelijk.
Hij leerde onderscheid maken tussen een grens en een aanval. Een grens zegt: dit klopt niet voor mij, dit wil ik anders, dit is mijn verantwoordelijkheid en dit is die van jou. Een aanval zegt: jij bent fout, jij moet buigen, jij moet mijn pijn oplossen, jij moet voelen wat jij mij hebt aangedaan.
Dat verschil lijkt klein in woorden, maar in contact is het enorm.
In zijn werk begon Hennie gesprekken anders te voeren. Hij kon nog steeds zeggen dat een afspraak niet was nagekomen. Alleen hoefde hij de ander niet meteen als slap of onbetrouwbaar neer te zetten. In vriendschappen begon hij vaker te zeggen dat iets hem raakte, in plaats van zich terug te trekken achter koude afstand. In relaties oefende hij met de zin: “Ik merk dat ik nu wil aanvallen, maar eigenlijk ben ik bang dat ik je niet kan vertrouwen.”
Die zin was moeilijk.
Daar zat geen hamer in.
Daar zat Hennie.
De man die zijn waarheid leerde dragen
Aan het einde van een sessie zei Hennie: “Ik dacht altijd dat mijn felheid mijn kracht was. Nu begin ik te voelen dat ik vaak fel werd omdat ik mijn kracht kwijt was.”
Dat was een belangrijke zin.
Zijn felheid was niet nep geweest. Er zat echte energie in. Echte grens. Echte waarneming. Hij zag vaak scherp wat anderen liever niet zagen. Alleen had hij zijn waarheid verpakt in aanval, omdat kwetsbaarheid voor hem te gevaarlijk voelde.
Langzaam kwam er iets anders voor in de plaats.
Hij kon rechtop blijven zonder te duwen.
Hij kon boos zijn zonder te vernietigen.
Hij kon iemand aanspreken zonder die persoon vast te zetten.
Hij kon geraakt zijn zonder meteen een dossier te openen.
De aanklager in hem hoefde niet bestraft te worden. Die had ooit geprobeerd hem te beschermen tegen onrecht, onduidelijkheid en afhankelijkheid. Maar die rol mocht niet langer zijn contact bepalen.
Hennie leerde dat zijn boosheid recht had op richting.
Zijn pijn recht had op erkenning.
Zijn verlangen naar betrouwbaarheid recht had op woorden.
Zijn volwassen zelf recht had op keuze.
Dat is de beweging uit de aanklagerrol. Niet je scherpte verliezen. Niet je grenzen opgeven. Niet doen alsof alles wel meevalt. Wel leren dat je waarheid sterker wordt wanneer je haar niet langer gebruikt om de ander kleiner te maken.
Hennie was werkelijk vaak teleurgesteld.
Hij had werkelijk onbetrouwbaarheid gekend.
Hij had werkelijk geleerd om op zichzelf te vertrouwen omdat anderen dat niet altijd verdienden.
Toch was hij niet alleen zijn aanklacht.
Daar begon zijn vrijheid.
Zelf hiermee aan de slag? Meld je nu aan voor een kennismakingsworkshop of themadag.










